Veldcodes invoegen en opmaken in Word

Velden in Microsoft Office Word worden gebruikt als tijdelijke aanduidingen voor gegevens in een document die kunnen veranderen en voor het maken van standaardbrieven en etiketten in samenvoegdocumenten. Velden van dit type worden ook wel veldcodes genoemd, en deze verschillen van het soort velden waarin u informatie opgeeft, zoals in een formulier. Zie Afdrukformulieren maken, Een formulier maken dat in Word wordt ingevuld of Een controlelijst maken in Word voor informatie over het toevoegen van formuliervelden in een document.

Word voegt velden automatisch in als u bepaalde opdrachten gebruikt, zoals wanneer u een paginanummer invoegt, wanneer u een bouwsteen voor een document invoegt, zoals een voorblad, of wanneer u een inhoudsopgave maakt. U kunt ook handmatig velden invoegen om bepaalde aspecten van een document te automatiseren, zoals gegevens uit een gegevensbron samenvoegen of berekeningen uitvoeren.

In Microsoft Office Word 2007 is het zelden nodig om velden handmatig in te voegen, omdat ingebouwde opdrachten en inhoudbesturingselementen de meeste mogelijkheden bieden die velden boden in eerdere Word-versies. Het is waarschijnlijker dat u velden tegenkomt in documenten die zijn gemaakt met een eerdere versie van Word. De informatie in dit artikel helpt u velden te begrijpen en ermee te werken.

Beveiliging  Aangezien veldcodes zichtbaar zijn voor iedereen die uw document leest, moet u ervoor zorgen dat de informatie die u opneemt in veldcodes geen vertrouwelijke informatie is.

 Opmerking   De informatie in dit artikel is van toepassing op alle veldcodes in Word. Voor informatie over een specifieke veldcode zoekt u in Word Help naar de naam van de veldcode, bijvoorbeeld IF.

Wat wilt u doen?


Meer informatie over velden

U kunt een veld invoegen als u het volgende wilt doen:

In andere gevallen is het eenvoudiger om de opdrachten en opties in Word te gebruiken om de gewenste gegevens toe te voegen. Zo kunt u een hyperlink (hyperlink: gekleurde en onderstreepte tekst of een afbeelding waarop u kunt klikken om naar een bestand te gaan, naar een bepaalde plaats in een bestand, naar een webpagina op het World Wide Web of naar een webpagina op een intranet. Hyperlinks kunnen ook verwijzen naar nieuwsgroepen en naar Gopher-, Telnet- en FTP-sites.) invoegen met het veld HYPERLINK, maar het is gemakkelijker om de opdracht Hyperlink in de groep Koppelingen op het tabblad Invoegen te gebruiken. U kunt ook informatie over een document invoegen, zoals de naam van de auteur of de documenttitel, door het veld AUTHOR of TITLE te gebruiken. Het is echter gemakkelijker om een van de inhoudbesturingselementen voor eigenschappen in het menu Snelonderdelen te gebruiken.

 Opmerking   De accolades voor velden kunnen niet worden ingevoegd met het toetsenbord. Druk op CTRL+F9 om de veldaccolades in te voegen.

Syntaxis van veldcodes

Veldcodes worden weergegeven tussen accolades ( { } ). Velden zijn vergelijkbaar met de formules in Microsoft Office Excel: de veldcode heeft de functie van de formule en het veldresultaat kunt u zien als de waarde die door de formule wordt gegenereerd. U kunt schakelen tussen de weergave van veldcodes en veldresultaten in een document door op ALT+F9 te drukken.

Wanneer u een veldcode in een document bekijkt, ziet de syntaxis er als volgt uit:

{ VELDNAAM Eigenschappen Optionele schakelopties }

  • VELDNAAM     Dit is de naam die wordt weergegeven in de lijst met veldnamen in het dialoogvenster Veld.
  • Eigenschappen     Dit zijn instructies of variabelen die worden gebruikt in een bepaald veld. Niet alle velden hebben parameters en voor sommige velden zijn parameters optioneel in plaats van vereist.
  • Optionele schakelopties    Dit zijn optionele instellingen die beschikbaar zijn voor een bepaald veld. Er zijn geen schakelopties beschikbaar voor alle velden, afgezien van de schakelopties die de opmaak van de veldresultaten bepalen.

Voorbeeld

U kunt de titel van het document bijvoorbeeld ergens in het document plaatsen door het veld TITLE in het document in te voegen. (De titel van een document wordt weergegeven in het vak Titel in het documentinformatiepaneel, dat u weergeeft door op Eigenschappen te klikken in de groep Weergeven/verbergen op het tabblad Beeld).

 Opmerking   Het veld TITLE wordt hier gebruikt als voorbeeld van de syntaxis van veldcodes. Een eenvoudiger manier om de documenttitel in het document te plaatsen is naar Snelonderdelen op het tabblad Invoegen te gaan, Eigenschap aan te wijzen en op Titel te klikken.

De syntaxis voor de veldcode TITLE ziet er als volgt uit:

{ TITLE ["NieuweTitel"] }

De eigenschap NieuweTitel is optioneel, wat wordt aangegeven door rechte haakjes ( [] ). Als u de eigenschap weglaat, wordt de huidige documenttitel weergegeven in het veldresultaat. Als u echter Kwartaalrapport typt voor de eigenschap NieuweTitel, wordt het vak Titel in het documentinformatiepaneel gewijzigd in Kwartaalrapport en wordt Kwartaalrapport eveneens weergegeven als resultaat van het veld TITLE wanneer u op ALT+F9 drukt.

Het veld TITLE heeft geen optionele schakelopties.

Terug naar boven Terug naar boven

Een veld invoegen

  1. Klik op de plaats waar u een veld wilt invoegen.
  2. Klik op het tabblad Invoegen in de groep Tekst op Snelonderdelen en klik vervolgens op Veld.

Afbeelding van lint in Word

  1. Selecteer een categorie in de lijst Categorieën.
  2. Selecteer een veldnaam in de lijst Veldnamen.
  3. Selecteer de gewenste eigenschappen of opties.

 Opmerkingen 

  • Als u de codes voor een bepaald veld in het dialoogvenster Veld wilt zien, klikt u op Veldcodes.
  • Als u een veld in een ander veld wilt opnemen, voegt u eerst het buitenste veld in vanuit het dialoogvenster Veld. Plaats de cursor in het document in de veldcode waarin u het binnenste veld wilt invoegen. Voeg daarna het binnenste veld in via het dialoogvenster Veld.

 Tip   Als u de veldcode kent van het veld dat u wilt invoegen, kunt u deze ook rechtstreeks in het document typen. Druk eerst op CTRL+F9 en typ de code vervolgens tussen de haakjes.

Terug naar boven Terug naar boven

Een veld bewerken

  1. Klik met de rechtermuisknop in het gewenste veld en klik vervolgens op Veld bewerken

 Opmerking   Voor sommige velden moet u de veldcode weergeven als u het veld wilt bewerken. Daarvoor klikt u in het veld en drukt u op SHIFT+F9. Als u alle veldcodes in een document wilt weergeven, drukt u op ALT+F9.

  1. Wijzig de veldeigenschappen en -opties. Als u meer informatie wilt over de eigenschappen en opties die beschikbaar zijn voor een bepaald veld, zoekt u naar de veldnaam in de Help-bestanden.

WeergevenAls de veldeigenschappen en veldopties worden weergegeven

Selecteer de gewenste eigenschappen en opties. Als u de veldcode rechtstreeks wilt bewerken maar deze niet ziet, klikt u op Veldcodes om de code weer te geven. Klik vervolgens op Opties om schakelopties of andere opties voor het veld toe te voegen.

WeergevenAls alleen de geavanceerde veldeigenschappen (veldcodes) worden weergegeven

U kunt rechtstreeks in de veldcode werken als u het veld wilt bewerken of op Opties klikken om schakelopties in velden of andere opties toe te voegen.

Terug naar boven Terug naar boven

De veldresultaten weergeven

Word geeft de veldresultaten standaard zo weer dat ze er net zo uitzien als de overige inhoud van het document, zodat iemand die het document leest niet ziet dat een deel van de inhoud in een veld staat. Velden kunnen echter ook worden weergegeven met een gearceerde achtergrond, zodat ze beter zichtbaar zijn in het document.

U kunt ervoor zorgen dat de veldresultaten één geheel vormen met de overige inhoud van het document door de optie die velden met een gearceerde achtergrond weergeeft uit te schakelen en de veldresultaten op te maken.

Als u de aandacht op velden wilt vestigen, kunt u ze weergeven met een gearceerde achtergrond. Deze achtergrond kan altijd zichtbaar zijn of alleen wanneer het veld is geselecteerd.

U kunt de veldresultaten opmaken door tekstopmaak op het veld toe te passen of door schakelopties (schakeloptie: bij het werken met velden is dit een speciale instructie voor een specifieke actie. Meestal voegt u een schakeloptie toe aan een veld als u het resultaat wilt wijzigen.) voor opmaak toe te voegen aan de veldcode.

De gearceerde achtergrond van velden wijzigen

  1. Klik op de Microsoft Office-knop Knopafbeelding en klik op Opties voor Word.
  1. Klik op Geavanceerd.
  2. Voer een van de volgende handelingen uit in de lijst Arcering veld onder Documentinhoud weergeven:
    • Als u wilt dat velden afsteken tegen de rest van de documentinhoud, selecteert u Altijd.
    • Als u wilt dat velden naadloos overlopen in de documentinhoud, selecteert u Nooit.
    • Als u wilt dat gebruikers van Word weten dat ze in een veld klikken, selecteert u Indien geselecteerd.

 Opmerking   Als de optie voor veldarcering is ingesteld op Indien geselecteerd, wordt het veld weergegeven met een grijze achtergrond wanneer u in het veld klikt. De grijze arcering geeft echter niet aan dat het veld is geselecteerd. Als u het veld selecteert door erop te dubbelklikken of erover te slepen met de muis, wordt een markering die de selectie aangeeft toegevoegd aan de grijze arcering.

Tekstopmaak op een veld toepassen

  • Selecteer het veld dat u wilt opmaken en pas de gewenste opmaak toe met de opdrachten in de groep Lettertype op het tabblad Start.

Afbeelding van lint in Word

Als u bijvoorbeeld de naam wilt onderstrepen die wordt ingevoegd door het veld AUTHOR, selecteert u de hele veldcode, met inbegrip van de haakjes (of selecteert u het hele veldresultaat), en klikt u vervolgens op Onderstrepen Knopafbeelding in de groep Lettertype op het tabblad Start.

 Opmerking   Als u een veld bijwerkt, kan eventuele opmaak die u op de veldresultaten hebt toegepast verloren gaan. Als u de opmaak wilt behouden, moet u de schakeloptie \* MERGEFORMAT in de veldcode opnemen. Als u velden invoegt vanuit het dialoogvenster Veld, wordt de schakeloptie \*MERGEFORMAT standaard toegevoegd.

Een schakeloptie voor opmaak toevoegen aan een veldcode

  1. Klik met de rechtermuisknop in het gewenste veld en klik vervolgens op Veld bewerken
  2. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Als Veldeigenschappen en Veldopties worden weergegeven, selecteert u de gewenste opmaakopties.
    • Als alleen de veldcode wordt weergegeven, klikt u op Opties en selecteert u vervolgens de gewenste opmaakopties.

Als de knop Opties niet beschikbaar is, zijn er mogelijk geen extra opmaakopties beschikbaar.

U kunt drie schakelopties gebruiken om veldresultaten op te maken:

Schakeloptie voor opmaak

De schakeloptie voor opmaak (\*) bepaalt hoe veldresultaten worden weergegeven. De opmaakinstructies bepalen het volgende:

Schakelopties voor opmaak behouden de opmaak van het veldresultaat ook als het veld wordt bijgewerkt.

WeergevenHoofdletters en kleine letters

Hieronder ziet u een lijst met schakelopties en voorbeelden:

  • \* Caps    De eerste letter van elk woord wordt een hoofdletter. Bijvoorbeeld: { FILLIN "Typ uw naam:" \* Caps } resulteert in Dick Beekman, ook al is de naam in kleine letters getypt.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op Alles beginhoofdletter.

  • \* FirstCap    De eerste letter van het eerste woord wordt een hoofdletter. Bijvoorbeeld: { COMMENTS \* FirstCap } resulteert in Wekelijks verkooprapport.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op Beginhoofdletter.

  • \* Upper    Alle letters worden hoofdletters. Bijvoorbeeld: { QUOTE "woord" \* Upper } resulteert in WOORD.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op Hoofdletters.

  • \* Lower    Er worden geen hoofdletters gebruikt; alle letters worden kleine letters. Bijvoorbeeld: { FILENAME \* Lower } resulteert in wekelijks verkooprapport.doc.

 Opmerking   Deze schakeloptie heeft geen effect als het hele veld dat de schakeloptie bevat, is opgemaakt in klein kapitaal.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op Kleine letters.

WeergevenGetalnotaties

Hieronder ziet u een lijst met schakelopties en de bijbehorende resultaten:

  • \*alphabetic    Het resultaat wordt weergegeven in alfabetische tekens en met dezelfde hoofdletters of kleine letters als het woord 'alphabetic' in de veldcode. Bijvoorbeeld: { SEQ bijlage \* ALPHABETIC } resulteert in B (in plaats van 2), terwijl { SEQ bijlage \* alphabetic } resulteert in b.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op a, b, c, ....

  • \*Arabic    Het resultaat wordt weergegeven in Arabische hoofdtelwoorden. Bijvoorbeeld: { PAGE \* Arabic } resulteert in 31.

 Opmerkingen 

  • Als de instelling bij Nummering in het dialoogvenster Opmaak van paginanummer niet Arabisch is, vervangt deze schakeloptie de instelling voor Nummering.
  • Alleen voor paginanummers is ook de notatie ArabicDash beschikbaar die het resultaat weergeeft als Arabische hoofdtelwoorden tussen afbreekstreepjes. Bijvoorbeeld: { PAGE \* ArabicDash } resulteert in - 31 -.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op 1, 2, 3, ....

  • \*CardText    Het resultaat wordt weergegeven als hoofdtelwoordtekst en in kleine letters, tenzij u met een schakeloptie hoofdletters instelt. Bijvoorbeeld: { = SUM(A1:B2) \* CardText } resulteert in zevenhonderdnegentig en { = SUM(A1:B2) \* CardText \* Caps } in Zevenhonderdnegentig.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op Een, Twee, Drie, ....

  • \*DollarText    Het resultaat wordt weergegeven als hoofdtelwoordtekst. Word voegt het woord en toe op de plaats van de komma en de eerste twee decimalen (afgerond) worden weergegeven als teller in Arabische cijfers met de noemer 100. Het resultaat wordt weergegeven in kleine letters, tenzij u met een schakeloptie hoofdletters instelt. Bijvoorbeeld: { = 9,20 + 5,35 \* DollarText \* Upper } resulteert in VEERTIEN EN 55/100.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op Valutatekst.

  • \*Hex    Het resultaat wordt weergegeven als hexadecimale getallen. Bijvoorbeeld: { QUOTE "458" \* Hex } resulteert in 1CA.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op hex ....

  • \*OrdText    Het resultaat wordt weergegeven als rangtelwoordtekst en in kleine letters, tenzij u met een schakeloptie hoofdletters instelt. Bijvoorbeeld: { DATE \@ "d" \* OrdText } resulteert in eenentwintigste en { DATE \@ "d" \* OrdText \* FirstCap } in Eenentwintigste.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op Eerste, Tweede, Derde, ....

  • \*Ordinal    Het resultaat wordt weergegeven in Arabische rangtelwoorden. Bijvoorbeeld: { DATE \@ "d" \* Ordinal } resulteert in 30e.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op 1e, 2e, 3e, ....

  • \*Roman    Het resultaat wordt weergegeven in Romeinse cijfers en met dezelfde hoofdletters of kleine letters als het woord 'roman' in de veldcode. Bijvoorbeeld: { SEQ HOOFDSTUK\* roman } resulteert in xi, terwijl { SEQ HOOFDSTUK \* ROMAN } resulteert in XI.

Als u deze optie wilt selecteren in het dialoogvenster Veldopties, klikt u op I, II, III, ....

WeergevenTekenopmaak en eerder toegepaste opmaak

Hieronder ziet u de schakelopties voor tekenopmaak en de bijbehorende resultaten:

  • \*Charformat    De opmaak van de eerste letter van de veldnaam wordt toegepast op het gehele resultaat. In het volgende voorbeeld wordt het het resultaat vetgedrukt weergegeven omdat de Z in Zie vet is.

{ ZIE hoofdstuk2_titel \* Charformat } resulteert in Walvissen in de Stille Oceaan in vetgedrukte tekst.

 Opmerking   Als u deze schakeloptie wilt toevoegen, typt u deze in de veldcode of in het vak Veldcodes in het dialoogvenster Veld.

  • \*MERGEFORMAT    De opmaak van het vorige resultaat wordt toegepast op het nieuwe resultaat. Als u bijvoorbeeld de naam selecteert die wordt weergegeven door het veld { AUTHOR \* MERGEFORMAT } en de opmaak vet toepast, blijft de opmaak vet behouden wanneer de naam van de auteur verandert en het veld wordt bijgewerkt.

 Opmerking    Als u velden invoegt vanuit het dialoogvenster Veld, wordt de schakeloptie \*MERGEFORMAT standaard gebruikt. U kunt dit wijzigen door het selectievakje Opmaak tijdens bijwerken handhaven in het dialoogvenster Veld uit te schakelen.

Terug naar de schakelopties voor opmaak

Schakeloptie voor getalnotatie

De schakeloptie voor getalnotatie (\#) bepaalt hoe een numeriek resultaat wordt weergegeven.

Zo geeft bijvoorbeeld de schakeloptie \# € #.##0,00 in { = SUM(ABOVE) \# € #.##0,00 } het resultaat '€ 4.455,70'. Als het veldresultaat geen getal is, heeft de schakeloptie geen effect.

 Opmerking   Eenvoudige getalnotaties die geen spaties bevatten, hoeven niet tussen aanhalingstekens te worden geplaatst, bijvoorbeeld: { MaartVerkoop \# € #.##0,00 }. Als de getalnotatie complexer is of tekst of spaties bevat, moet u de getalnotatie wel tussen aanhalingstekens plaatsen, zoals in de volgende voorbeelden. Word voegt aanhalingstekens toe aan schakelopties voor getalnotatie als u een veld invoegt via het dialoogvenster Veld of de opdracht Formule in de groep Gegevens op het tabblad Indeling (op het contextafhankelijke tabblad Hulpmiddelen voor tabellen).

U kunt een schakeloptie voor getalnotatie instellen door de volgende items te combineren:

  • 0 (nul)    Geeft het vereiste aantal numerieke posities aan dat in het resultaat moet worden weergegeven. Als het resultaat op een van de opgegeven posities geen cijfer bevat, wordt daar een 0 (nul) weergegeven. Bijvoorbeeld, { = 4 + 5 \# 00,00 } resulteert in 09,00.
  • #    Geeft het vereiste aantal numerieke posities aan dat in het resultaat moet worden weergegeven. Als het resultaat op een van de opgegeven posities geen cijfer bevat, wordt daar een spatie weergegeven. Bijvoorbeeld: { = 9 + 6 \# € ### } resulteert in € 15.
  • x    Geeft aan dat aan dat cijfers links van de tijdelijke aanduiding 'x' wegvallen. Als de tijdelijke aanduiding rechts van het decimaalteken staat, wordt het resultaat op die positie afgerond. Bijvoorbeeld:
    { = 111053 + 111439 \# x## } resulteert in 492.
    { = 1/8 \# 0,00x } resulteert in 0,125.
    { = 3/4 \# ,x } resulteert in ,8.
  • , (decimale komma)    Bepaalt de positie van het decimaalteken. Bijvoorbeeld: { = SUM(ABOVE) \# € ###,00 } resulteert in € 495,47.

 Opmerking   Gebruik het decimaalteken dat is ingesteld in de landinstellingen in het Configuratiescherm.

  • . (scheidingsteken voor duizendtallen)    Hiermee worden reeksen van drie cijfers gescheiden. Bijvoorbeeld: { = NettoWinst \# € #.###.### } resulteert in € 2.456.800.

 Opmerking   Gebruik het scheidingsteken voor duizendtallen dat is ingesteld in de landinstellingen in het Configuratiescherm.

  • - (minteken)    Voegt een minteken toe aan een negatief resultaat of een spatie als het resultaat positief of 0 (nul) is. Bijvoorbeeld: { = 10 - 90 \# -## } resulteert in -80.
  • + (plusteken)    Voegt een plusteken toe aan een positief resultaat, een minteken aan een negatief resultaat of een spatie als het resultaat 0 (nul) is. Bijvoorbeeld: { = 100 - 90 \# +## } resulteert in +10 en { = 90 - 100 \# +## } resulteert in -10.
  • %, €, $, * en dergelijke    Voegt het opgegeven teken toe aan het resultaat. Bijvoorbeeld: { = nettowinst \# "##%" } resulteert in 33%.
  • "voorbeeldnotatie voor positief; negatief"    Hiermee stelt u verschillende getalnotaties in voor positieve en negatieve resultaten, gescheiden door een puntkomma. Als de bladwijzer (bladwijzer: een locatie of een geselecteerd tekstdeel in een bestand dat u een naam geeft, zodat u er later naar kunt verwijzen. Bladwijzers zijn locaties in uw bestand waarnaar u later kunt verwijzen of koppelen.) Verkoop95 bijvoorbeeld een positieve waarde heeft, geeft het veld { Verkoop95 \# "€ #.##0,00;-€ #.##0,00" } deze waarde weer zonder speciale opmaak (bijvoorbeeld € 1.245,65). Een negatieve waarde wordt vetgedrukt en met een minteken weergegeven (bijvoorbeeld -€ 345,56).
  • "voorbeeldnotatie voor positief; negatief; nul"    Hiermee stelt u verschillende getalnotaties in voor positieve en negatieve resultaten en voor het resultaat 0 (nul), gescheiden door puntkomma's. Afhankelijk van de waarde van de bladwijzer Verkoop95 geeft { Verkoop95 \# "€ #.##0,00;(€ #.##0,00);€ 0" } positieve en negatieve waarden en de waarde 0 (nul) als volgt weer: € 1.245,65, (€ 345,56), € 0.
  • 'tekst'    Hiermee voegt u tekst toe aan het resultaat. Plaats deze tekst tussen enkele aanhalingstekens. Bijvoorbeeld: { = { Prijs } *19% \# "€ ##0,00 'is btw' " } resulteert in € 347,44 is btw.
  • `genummerditem`    Geeft het nummer weer van het vorige item dat u hebt genummerd met de opdracht Bijschrift (in de groep Bijschriften op het tabblad Verwijzingen) of door het veld SEQ in te voegen. Plaats de naam van het item, zoals 'tabel' of 'afbeelding', tussen accents graves (`). Voor het reeksnummer worden Arabische cijfers gebruikt. Bijvoorbeeld: { = SUM(A1:D4) \# "##0,00 'is het totaal van Tabel' `tabel`" } resulteert in 456,34 is het totaal van Tabel 2.

Terug naar de schakelopties voor opmaak

Schakeloptie voor datum- en tijdnotatie

De schakeloptie voor datum- en tijdnotatie (\@) bepaalt de weergave van een datum of tijd.

De schakeloptie \@ "dddd, d MMMM, yyyy" in het veld { DATE \@ "dddd, d MMMM yyyy" } resulteert bijvoorbeeld in 'vrijdag, 23 november 2007'. U kunt een datum- en tijdnotatie instellen door de volgende instructies voor datum en tijd te combineren: dag (d), maand (M) en jaar (y), uren (h) en minuten (m). U kunt ook tekst, leestekens en spaties gebruiken.

Datuminstructies

WeergevenMaand (M)

De letter M moet een hoofdletter zijn om maanden van minuten te onderscheiden.

  • M    De maand wordt weergegeven als een getal zonder voorloopnul voor maanden met één cijfer. Bijvoorbeeld: juli is 7.
  • MM    De maand wordt weergegeven als een getal met voorloopnul voor maanden met één cijfer. Bijvoorbeeld: juli is 07.
  • MMM    De maand wordt weergegeven als een afkorting van drie letters. Bijvoorbeeld: juli is jul.
  • MMMM    De maand wordt volledig weergegeven.

WeergevenDag (d)

De letter d geeft de dag van de maand of de dag van de week weer. De letter d kan een hoofdletter of kleine letter zijn.

  • d    De week- of maanddag wordt weergegeven als een getal zonder voorloopnul voor dagen met één cijfer. Bijvoorbeeld: de zesde dag van de maand wordt weergegeven als 6.
  • dd    De week- of maanddag wordt weergegeven als een getal met voorloopnul voor dagen met één cijfer. Bijvoorbeeld: de zesde dag van de maand wordt weergegeven als 06.
  • ddd    De week- of maanddag wordt weergegeven als een afkorting van drie letters. Bijvoorbeeld: dinsdag wordt weergegeven als din.
  • dddd    De dag van de week wordt volledig weergegeven.

WeergevenJaar (y)

De letter y geeft het jaar weer met twee of vier cijfers. De letter y kan een hoofdletter of kleine letter zijn.

  • yy    Het jaar wordt weergegeven als twee cijfers met een voorloopnul voor de jaren 01 tot en met 09. Bijvoorbeeld: 1999 wordt weergegeven als 99 en 2006 wordt weergegeven als 06.
  • yyyy    Het jaar wordt weergegeven met vier cijfers.

Tijdinstructies

WeergevenUren (h)

Met een kleine letter h wordt de tijd weergegeven op basis van een 12-uursnotatie. Met een hoofdletter H wordt de tijd weergegeven op basis van een 24-uursnotatie. Bijvoorbeeld: 5 PM wordt weergegeven als 17.

  • h of H    De uren worden weergegeven zonder voorloopnul voor uren met één cijfer. Bijvoorbeeld: 9 AM wordt weergegeven als 9.
  • hh of HH    De uren worden weergegeven met voorloopnul voor uren met één cijfer. Bijvoorbeeld: 9 AM wordt weergegeven als 09.

WeergevenMinuten (m)

De letter m moet een kleine letter zijn om minuten van maanden te onderscheiden.

  • m    De minuten worden weergegeven zonder voorloopnul voor minuten met één cijfer. Bijvoorbeeld: { TIME \@ "m" } resulteert in 2.
  • mm    De minuten worden weergegeven met voorloopnul voor minuten met één cijfer. Bijvoorbeeld: { TIME \@ "mm" } resulteert in 02.

WeergevenAM en PM (AM/PM)

AM en PM worden weergegeven. Als u deze tekens wilt wijzigen, past u de landinstellingen in het Configuratiescherm aan.

  • am/pm of AM/PM    AM en PM worden weergegeven in hoofdletters. Bijvoorbeeld: { TIME \@ "h AM/PM" } en { TIME \@ "h am/pm" } resulteren in 9 AM of 5 PM.

Andere tekst en leestekens

  • 'tekst'    Hiermee kunt u tekst toevoegen aan een datum of tijd. Plaats deze tekst tussen enkele aanhalingstekens. Bijvoorbeeld: { TIME \@ "HH:mm 'Greenwich-tijd' " } resulteert in 12:45 Greenwich-tijd.
  • teken    Hiermee voegt u het opgegeven teken, zoals een dubbele punt (:), afbreekstreepje (-), sterretje (*) of spatie, toe aan een datum of tijd. Bijvoorbeeld: { DATE \@ "HH:mm d-MMM 'yy" } resulteert in 11:15 6-nov '99.
  • `genummerditem`    Hiermee voegt u het nummer in van het vorige item dat u hebt genummerd met de opdracht Bijschrift in de groep Bijschriften (op het tabblad Verwijzingen) of door het veld SEQ in te voegen. Plaats de naam van het item, tabel of afbeelding, tussen accents graves (`). Voor het reeksnummer worden Arabische cijfers gebruikt. Bijvoorbeeld: { PRINTDATE \@ "'Tabel' `tabel` 'is afgedrukt op' d/M/yy" } resulteert in Tabel 2 is afgedrukt op 25/9/02.

 Opmerking   Eenvoudige datum- en tijdnotaties die geen spaties of tekst bevatten, hoeft u niet tussen aanhalingstekens te plaatsen. Bijvoorbeeld: { DATE \@ MM/yy }. Als de datum- en tijdnotatie complexer is of spaties of tekst bevat, moet u de gehele notatie tussen aanhalingstekens plaatsen. Bijvoorbeeld: { DATE \ @ "dddd d MMMM yyyy', om ' h:mm" }. Word voegt aanhalingstekens toe aan schakelopties voor datum- en tijdnotatie als u een veld invoegt via de opdracht Datum en tijd in de groep Tekst op het tabblad Invoegen of het dialoogvenster Veld.

Terug naar boven Terug naar boven

Bepalen hoe velden worden bijgewerkt

Standaard worden velden in Word automatisch bijgewerkt wanneer u een document opent. Zo wordt ervoor gezorgd dat gegevens up-to-date blijven. Er zijn echter gevallen waarin dit mogelijk niet wenselijk is. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat u wilt dat de koptekst een bepaalde datum bevat en niet dat automatisch de huidige datum wordt ingevoegd telkens wanneer het document wordt geopend.

U kunt velden ook bijwerken door met de rechtermuisknop op een veld te klikken en vervolgens te klikken op Veld bijwerken of door te klikken in een veld en op F9 te drukken.

 Opmerking   Als u alle velden in de hoofdtekst van een document handmatig wilt bijwerken, drukt u op CTRL+A en drukt u vervolgens op F9. Velden in kop- of voetteksten of in tekstvakken moeten afzonderlijk worden bijgewerkt. Klik in de koptekst, de voettekst of het tekstvak, druk op CTRL+A en druk vervolgens op F9.

U kunt velden vergrendelen om te voorkomen dat ze automatisch of per ongeluk worden bijgewerkt.

Een bepaald veld vergrendelen of ontgrendelen

Ga op een van de volgende manieren te werk:

  • Als u een veld wilt vergrendelen, zodat veldresultaten niet worden bijgewerkt, klikt u op het veld en drukt u vervolgens op CTRL+F11.
  • Als u een veld wilt ontgrendelen, zodat veldresultaten kunnen worden bijgewerkt, klikt u op het veld en drukt u vervolgens op CTRL+SHIFT+F11.

Het resultaat van de velden BOOKMARK, INCLUDETEXT en REF vergrendelen

Met de schakeloptie Resultaat vergrendelen (\!) voorkomt u dat een veld dat is ingesloten in het resultaat van een BOOKMARK-, INCLUDETEXT- of REF-veld, wordt bijgewerkt als het veldresultaat op de oorspronkelijke locatie niet is gewijzigd. Als u deze schakeloptie niet instelt, worden velden die zijn ingesloten in een veldresultaat telkens bijgewerkt wanneer het veld BOOKMARK, INCLUDETEXT of REF wordt bijgewerkt.

Met het veld { INCLUDETEXT C:\\Verkoop\Kwart4 verkoop.doc \! } wordt bijvoorbeeld de inhoud van het document 'Kwart4 verkoop.doc' ingevoegd. Dit document bevat een DATE-veld en een EMBED-veld. Als u het veld INCLUDETEXT bijwerkt, voorkomt de schakeloptie \! dat de velden DATE en EMBED in de ingesloten tekst worden bijgewerkt, tenzij ze eerst zijn bijgewerkt in het oorspronkelijke document (Kwart4 verkoop.doc). Zo zorgt deze schakeloptie ervoor dat de tekst die wordt ingevoegd door het veld INCLUDETEXT overeenstemt met de tekst in het oorspronkelijke document.

Als u de velden DATE en EMBED op beide locaties wilt bijwerken, moet u deze velden eerst bijwerken in het oorspronkelijke document (Kwart4 verkoop.doc) en vervolgens het veld INCLUDETEXT bijwerken.

Terug naar boven Terug naar boven

 
 
Van toepassing op:
Word 2007