De sneltoetsen die in dit Help-onderwerp worden beschreven, hebben betrekking op de VS-toetsenbordindeling. Toetsen in andere indelingen komen niet altijd exact overeen met de toetsen op een VS-toetsenbord.
In de Help van Microsoft Office Word 2007 worden sneltoetsen waarbij u op twee of meer toetsen tegelijk moet drukken, gescheiden door een plusteken (+). Sneltoetsen waarbij u op één toets drukt en direct daarna op een andere toets, worden gescheiden door een komma (,).
Als u dit onderwerp wilt afdrukken, drukt u op TAB om Alles weergeven te selecteren. Druk vervolgens op ENTER en daarna op CTRL+P.
In dit artikel
Basisbewerkingen in Microsoft Office
Vensters weergeven en gebruiken
| Actie |
Toetsen |
| Naar het volgende venster gaan. |
ALT+TAB |
| Naar het vorige venster gaan. |
ALT+SHIFT+TAB |
| Het actieve venster sluiten. |
CTRL+W of CTRL+F4 |
| Het formaat van het actieve venster herstellen nadat u dit hebt gemaximaliseerd. |
ALT+F5 |
| Naar een taakvenster gaan vanuit een ander deelvenster in het programmavenster (rechtsom). (Wellicht moet u meerdere malen op F6 drukken.) |
F6 |
| Naar een taakvenster gaan vanuit een ander deelvenster in het programmavenster (linksom). |
SHIFT+F6 |
| Naar het volgende venster gaan als meer dan één venster is geopend. |
CTRL+F6 |
| Naar het vorige venster gaan. |
CTRL+SHIFT+F6 |
| Een geselecteerd venster maximaliseren of het vorige formaat ervan herstellen. |
CTRL+F10 |
| Een schermafbeelding naar het Klembord kopiëren. |
PRINT SCREEN |
| Een schermafbeelding van het geselecteerde venster naar het Klembord kopiëren. |
ALT+PRINT SCREEN |
Werken met dialoogvensters
| Actie |
Toetsen |
| Van een geopend dialoogvenster terugkeren naar het document voor dialoogvensters die dit ondersteunen, zoals Zoeken en vervangen. |
ALT+F6 |
| Naar de volgende optie of optiegroep. |
TAB |
| Naar de vorige optie of optiegroep. |
SHIFT+TAB |
| Naar het volgende tabblad in een dialoogvenster. |
CTRL+TAB |
| Naar het vorige tabblad in een dialoogvenster. |
CTRL+SHIFT+TAB |
| Naar de vorige of volgende optie in een geopende vervolgkeuzelijst of groep met opties. |
Pijltoetsen |
| De actie uitvoeren die is toegewezen aan de geselecteerde knop. Het geselecteerde selectievakje in- of uitschakelen. |
SPATIEBALK |
| Een optie selecteren. Een selectievakje in- of uitschakelen. |
ALT+ de onderstreepte letter in een optie |
| Een geselecteerde vervolgkeuzelijst openen. |
ALT+PIJL-OMLAAG |
| Een optie selecteren in een vervolgkeuzelijst. |
Eerste letter van een optie in een vervolgkeuzelijst |
| Een geselecteerde vervolgkeuzelijst sluiten. Een opdracht annuleren en een dialoogvenster sluiten. |
ESC |
| De geselecteerde opdracht uitvoeren. |
ENTER |
Invoervakken in dialoogvensters gebruiken
Een invoervak is een leeg vak waarin u gegevens typt of plakt, bijvoorbeeld uw gebruikersnaam of het pad naar een map.
| Actie |
Toetsen |
| Naar het begin van de invoer. |
HOME |
| Naar het einde van de invoer. |
END |
| Een teken naar links of rechts. |
PIJL-LINKS of PIJL-RECHTS |
| Een woord naar links. |
CTRL+PIJL-LINKS |
| Een woord naar rechts. |
CTRL+PIJL-RECHTS |
| Een teken naar links selecteren of deselecteren. |
SHIFT+PIJL-LINKS |
| Een teken naar rechts selecteren of deselecteren. |
SHIFT+PIJL-RECHTS |
| Een woord naar links selecteren of deselecteren. |
CTRL+SHIFT+PIJL-LINKS |
| Een woord naar rechts selecteren of deselecteren. |
CTRL+SHIFT+PIJL-RECHTS |
| Selecteren vanaf de invoegpositie tot aan het begin van de invoer. |
SHIFT+HOME |
| Selecteren vanaf de invoegpositie tot aan het einde van de invoer. |
SHIFT+END |
De dialoogvensters Openen en Opslaan als gebruiken
| Actie |
Toetsen |
| Het dialoogvenster Openen weergeven. |
CTRL+F12 of CTRL+O |
| Het dialoogvenster Opslaan als openen. |
F12 |
Naar de vorige map gaan. ( ) |
ALT+1 |
De knop Eén niveau omhoog gaan : de map één niveau boven de geopende map openen. |
ALT+2 |
De knop Verwijderen ): de geselecteerde map of het geselecteerde bestand verwijderen. |
DELETE |
De knop Nieuwe map maken : een nieuwe map maken. |
ALT+4 |
De knop Weergaven : schakelen tussen beschikbare mapweergaven. |
ALT+5 |
| Een snelmenu weergeven voor een geselecteerd item, zoals een map of een bestand. |
SHIFT+F10 |
| Schakelen tussen opties of gebieden in het dialoogvenster. |
TAB |
| De lijst Zoeken in openen. |
F4 of ALT+I |
| De bestandenlijst bijwerken. |
F5 |
Een bewerking ongedaan maken en opnieuw uitvoeren
| Actie |
Toetsen |
| Een bewerking annuleren. |
ESC |
| Een bewerking ongedaan maken. |
CTRL+Z |
| Een bewerking opnieuw uitvoeren of herhalen. |
CTRL+Y |
Taakvensters en galerieën openen en gebruiken
| Actie |
Toetsen |
| Naar een taakvenster gaan vanuit een ander deelvenster in het programmavenster. (Wellicht moet u meerdere malen op F6 drukken.) |
F6 |
| Naar een taakvenster gaan wanneer een menu actief is. (Wellicht moet u meerdere malen op CTRL+TAB drukken.) |
CTRL+TAB |
| De volgende of vorige optie in het taakvenster selecteren wanneer een taakvenster actief is. |
TAB of SHIFT+TAB |
| Alle opdrachten in het menu van het taakvenster weergeven. |
CTRL+SPATIEBALK |
| De actie uitvoeren die aan de geselecteerde knop is toegewezen. |
SPATIEBALK of ENTER |
| Een vervolgkeuzelijst voor het geselecteerde galerie-item openen. |
SHIFT+F10 |
| Het eerste of laatste item in een galerie selecteren. |
HOME of END |
| Omhoog of omlaag schuiven in de geselecteerde galerielijst. |
PAGE UP of PAGE DOWN |
Een taakvenster sluiten
- Druk zo nodig op F6 om naar het taakvenster te gaan.
- Druk op CTRL+SPATIEBALK.
- Selecteer Sluiten met behulp van de pijltoetsen en druk op ENTER.
Een taakvenster verplaatsen
- Druk op F6 om zo nodig naar het taakvenster te gaan.
- Druk op CTRL+SPATIEBALK.
- Gebruik de pijltoetsen om Verplaatsen te selecteren en druk vervolgens op ENTER.
- Gebruik de pijltoetsen om het taakvenster te verplaatsen en druk vervolgens op ENTER.
Het formaat van een taakvenster wijzigen
- Druk op F6 om zo nodig naar het taakvenster te gaan.
- Druk op CTRL+SPATIEBALK.
- Gebruik de PIJL-OMLAAG om de opdracht Formaat te selecteren en druk op ENTER.
- Gebruik de pijltoetsen om het formaat van het taakvenster te wijzigen en druk vervolgens op ENTER.
Infolabels weergeven en gebruiken
Terug naar boven
Navigeren in het Office Fluent-lint
Toegang tot elke opdracht met enkele toetsaanslagen
Opmerking Het lint is een onderdeel van de Microsoft Office Fluent-gebruikersinterface.
Met toegangstoetsen kunt u snel een opdracht gebruiken door slechts op enkele toetsen te drukken, waar u zich ook in het programma bevindt. Elke opdracht in Office Word 2007 kan worden uitgevoerd via een toegangstoets. U kunt de meeste opdrachten activeren met twee tot vijf toetsaanslagen. U gebruikt een toegangstoets als volgt:
- Druk op ALT.
De toetstips worden weergegeven bij elke functie die beschikbaar is in de huidige weergave.
De bovenstaande afbeelding is overgenomen uit Training op Microsoft Office Online.
- Druk op de letter die wordt weergegeven in de toetstip bij de functie die u wilt gebruiken.
- Afhankelijk van de letter waarop u drukt, kunnen er extra toetstips worden weergegeven. Als het tabblad Start bijvoorbeeld actief is en u op I drukt, wordt het tabblad Invoegen weergegeven, samen met de toetstips voor de groepen op dat tabblad.
- Druk net zo lang op letters totdat u drukt op de letter van de opdracht die of het besturingselement dat u wilt gebruiken. Soms moet u eerst drukken op de letter van de groep die de opdracht bevat.
Opmerking Als u de handeling die u gaat uitvoeren wilt annuleren en de toetstips wilt verbergen, drukt u op ALT.
De focus van het toetsenbord wijzigen zonder de muis te gebruiken
Een andere manier om het toetsenbord te gebruiken in programma's die zijn uitgerust met het Office Fluent-lint, is de focus te verplaatsen tussen de tabbladen en opdrachten totdat u de functie vindt die u wilt gebruiken. In de volgende tabel worden enkele manieren beschreven om de toetsenbordfocus te wijzigen zonder de muis te gebruiken.
| Actie |
Toetsen |
| Het actieve tabblad van het lint selecteren en de toegangstoetsen activeren. |
ALT of F10. Druk nogmaals op een van deze toetsen om terug te keren naar het document en de toegangstoetsen te annuleren. |
| Naar een ander tabblad van het lint gaan. |
F10 om het actieve tabblad te selecteren en vervolgens PIJL-LINKS of PIJL-RECHTS |
| Het lint weergeven of verbergen. |
CTRL+F1 |
| Het snelmenu voor de geselecteerde opdracht weergeven. |
SHIFT+F10 |
|
De focus verplaatsen om elk van de volgende delen van het venster te selecteren:
- Actief tabblad van het lint
- Een geopend taakvenster
- Statusbalk onder in het venster
- Uw document
|
F6 |
| De focus verplaatsen naar elke opdracht op het lint, respectievelijk vooruit en achteruit. |
TAB of SHIFT+TAB |
| De focus omhoog, omlaag, naar links of naar rechts verplaatsen tussen de items op het lint. |
PIJL-OMHOOG, PIJL-OMLAAG, PIJL-LINKS of PIJL-RECHTS |
| De geselecteerde opdracht of het geselecteerde besturingselement op het lint activeren. |
SPATIEBALK of ENTER |
| Het geselecteerde menu of de geselecteerde galerie op het lint activeren. |
SPATIEBALK of ENTER |
| Een opdracht of besturingselement op het lint selecteren zodat u een waarde kunt wijzigen. |
ENTER |
| Het wijzigen van de waarde in een besturingselement op het lint voltooien en de focus weer naar het document verplaatsen. |
ENTER |
| Help-informatie weergeven over de geselecteerde opdracht of het geselecteerde besturingselement op het lint. (Als er geen Help-onderwerp beschikbaar is voor de geselecteerde opdracht, wordt een algemeen Help-onderwerp over het programma weergegeven.) |
F1 |
Terug naar boven
Snelzoeklijst voor Microsoft Office Word
Algemene taken in Microsoft Office Word
| Actie |
Toetsen |
| Een vaste spatie invoeren. |
CTRL+SHIFT+SPATIEBALK |
| Een vast afbreekstreepje invoeren. |
CTRL+AFBREEKSTREEPJE |
| Letters de opmaak Vet geven. |
CTRL+B |
| Letters de opmaak Cursief geven. |
CTRL+I |
| Letters de opmaak Onderstrepen geven. |
CTRL+U |
| De tekengrootte met één stap verlagen. |
CTRL+SHIFT+< |
| De tekengrootte met één stap verhogen. |
CTRL+SHIFT+> |
| De tekengrootte met 1 punt verkleinen. |
CTRL+[ |
| De tekengrootte met 1 punt vergroten. |
CTRL+] |
| De opmaak van een alinea of teken verwijderen. |
CTRL+SPATIEBALK |
| De geselecteerde tekst of het geselecteerde object kopiëren. |
CTRL+C |
| De geselecteerde tekst of het geselecteerde object knippen. |
CTRL+X |
| De geselecteerde tekst of het geselecteerde object plakken. |
CTRL+V |
| Plakken speciaal |
CTRL+ALT+V |
| Alleen opmaak plakken |
CTRL+SHIFT+V |
| De laatste bewerking ongedaan maken. |
CTRL+Z |
| De laatste handeling herhalen. |
CTRL+Y |
| Het dialoogvenster Woorden tellen openen. |
CTRL+SHIFT+G |
Werken met documenten en webpagina's
Documenten maken, bekijken en opslaan
| Actie |
Toetsen |
| Een nieuw document maken van hetzelfde type als het huidige of meest recente document. |
CTRL+N |
| Een document openen. |
CTRL+O |
| Het document sluiten. |
CTRL+W |
| Het documentvenster splitsen. |
ALT+CTRL+S |
| De splitsing van het documentvenster verwijderen. |
ALT+SHIFT+C |
| Het document opslaan. |
CTRL+S |
Tekst zoeken en vervangen, en door tekst bladeren
| Actie |
Toetsen |
| Tekst, opmaak en specifieke elementen zoeken. |
CTRL+F |
| Opnieuw zoeken (na het sluiten van het venster Zoeken en vervangen). |
ALT+CTRL+Y |
| Tekst, opmaak en specifieke elementen vervangen. |
CTRL+H |
| Naar een pagina, bladwijzer, voetnoot, tabel, commentaar, afbeelding of andere locatie gaan. |
CTRL+G |
| Schakelen tussen de laatste vier plaatsen die u hebt bewerkt. |
ALT+CTRL+Z |
| Een lijst met bladeropties openen. Druk op de pijltoetsen om een optie te selecteren en druk vervolgens op ENTER om met de geselecteerde optie door een document te bladeren. |
ALT+CTRL+HOME |
| Naar de locatie van de vorige bewerking gaan. |
CTRL+PAGE UP |
| Naar de locatie van de volgende bewerking gaan. |
CTRL+PAGE DOWN |
Omschakelen naar een andere weergave
| Actie |
Toetsen |
| Overschakelen naar de afdrukweergave. |
ALT+CTRL+K |
| Overschakelen naar de overzichtsweergave. |
ALT+CTRL+B |
| Overschakelen naar de conceptweergave. |
ALT+CTRL+G |
Overzichtsweergave
| Actie |
Toetsen |
| Een alinea verhogen. |
ALT+SHIFT+PIJL-LINKS |
| Een alinea verlagen. |
ALT+SHIFT+PIJL-RECHTS |
| Een alinea verlagen naar platte tekst. |
CTRL+SHIFT+N |
| Geselecteerde alinea's omhoog verplaatsen. |
ALT+SHIFT+PIJL-OMHOOG |
| Geselecteerde alinea's omlaag verplaatsen. |
ALT+SHIFT+PIJL-OMLAAG |
| Tekst onder een kop uitvouwen. |
ALT+SHIFT+PLUSTEKEN |
| Tekst onder een kop samenvouwen. |
ALT+SHIFT+MINTEKEN |
| Alle tekst of koppen weergeven. |
ALT+SHIFT+A |
| Tekenopmaak weergeven of verbergen. |
Slash (/) op het numerieke toetsenblok |
| De eerste regels platte tekst of alle platte tekst weergeven. |
ALT+SHIFT+L |
| Alle koppen met het opmaakprofiel Kop 1 weergeven. |
ALT+SHIFT+1 |
| Alle koppen tot en met niveau n weergeven. |
ALT+SHIFT+n |
| Een tab invoegen. |
CTRL+TAB |
Een afdrukvoorbeeld van documenten bekijken en documenten afdrukken
| Actie |
Toetsen |
| Een document afdrukken. |
CTRL+P |
| Het afdrukvoorbeeld in- of uitschakelen. |
ALT+CTRL+I |
| Navigeren op de weergegeven pagina, bij ingezoomde weergave. |
Pijltoetsen |
| Navigeren op de weergegeven pagina, bij uitgezoomde weergave. |
PAGE UP of PAGE DOWN |
| Naar de eerste pagina van het afdrukvoorbeeld gaan, bij uitgezoomde weergave. |
CTRL+HOME |
| Naar de laatste pagina van het afdrukvoorbeeld gaan, bij uitgezoomde weergave. |
CTRL+END |
Documenten reviseren
| Actie |
Toetsen |
| Een opmerking invoegen. |
ALT+CTRL+M |
| Het bijhouden van wijzigingen in- of uitschakelen. |
CTRL+SHIFT+E |
| Het revisievenster sluiten wanneer dat geopend is. |
ALT+SHIFT+C |
De weergave Lezen in volledig scherm
Opmerking Sommige schermlezers zijn mogelijk niet compatibel met de weergave Lezen in volledig scherm.
| Actie |
Toetsen |
| Naar het begin van het document gaan. |
HOME |
| Naar het einde van het document gaan. |
END |
| Naar pagina n gaan. |
n, ENTER |
| De leesindeling afsluiten. |
ESC |
Verwijzingen, voetnoten en eindnoten
| Actie |
Toetsen |
| Tekst markeren voor de inhoudsopgave. |
ALT+SHIFT+O |
| Tekst markeren voor de lijst met bronvermeldingen. |
ALT+SHIFT+I |
| Tekst markeren voor een indexvermelding. |
ALT+SHIFT+X |
| Een voetnoot invoegen. |
ALT+CTRL+F |
| Een eindnoot invoegen. |
ALT+CTRL+D |
Werken met webpagina's
| Actie |
Toetsen |
| Een hyperlink invoegen. |
CTRL+K |
| Naar de vorige pagina gaan. |
ALT+PIJL-LINKS |
| Naar de volgende pagina gaan. |
ALT+PIJL-RECHTS |
| Vernieuwen. |
F9 |
Tekst en afbeeldingen bewerken en verplaatsen
Tekst en afbeeldingen verwijderen
| Actie |
Toetsen |
| Eén teken links van de invoegpositie verwijderen. |
BACKSPACE |
| Eén woord links van de invoegpositie verwijderen. |
CTRL+BACKSPACE |
| Eén teken rechts van de invoegpositie verwijderen. |
DELETE |
| Eén woord rechts van de invoegpositie verwijderen. |
CTRL+DELETE |
| Geselecteerde tekst knippen en naar het Office Klembord kopiëren. |
CTRL+X |
| De laatste bewerking ongedaan maken. |
CTRL+Z |
| De selectie knippen en naar de Prikker kopiëren. |
CTRL+F3 |
Tekst en afbeeldingen kopiëren en verplaatsen
| Actie |
Toetsen |
| Het Office Klembord openen. |
Druk op ALT+R om naar het tabblad Start te gaan en druk vervolgens op F,O. |
| Geselecteerde tekst of afbeeldingen naar het Office Klembord kopiëren. |
CTRL+C |
| Geselecteerde tekst of afbeeldingen knippen en naar het Office Klembord kopiëren. |
CTRL+X |
| De inhoud plakken die het laatst aan het Office Klembord is toegevoegd. |
CTRL+V |
| Tekst of afbeeldingen eenmaal verplaatsen. |
F2 (vervolgens verplaatst u de cursor en drukt u op ENTER) |
| Tekst of afbeeldingen eenmaal kopiëren. |
SHIFT+F2 (vervolgens verplaatst u de cursor en drukt u op ENTER) |
| Het dialoogvenster Nieuwe bouwsteen maken openen wanneer tekst of een object is geselecteerd. |
ALT+F3 |
| Het snelmenu van een geselecteerde bouwsteen, bijvoorbeeld een SmartArt-afbeelding, weergeven. |
SHIFT+F10 |
| De selectie knippen en naar de Prikker kopiëren. |
CTRL+F3 |
| De inhoud van de Prikker plakken. |
CTRL+SHIFT+F3 |
| De kop- of voettekst vanuit de vorige sectie van het document kopiëren. |
ALT+SHIFT+R |
Speciale tekens invoegen
| Invoegen van |
Toetsen |
| Veld |
CTRL+F9 |
| Regeleinde |
SHIFT+ENTER |
| Pagina-einde |
CTRL+ENTER |
| Kolomeinde |
CTRL+SHIFT+ENTER |
| Em-streepje |
ALT+CTRL+MIN-TEKEN |
| En-streepje |
CTRL+MIN-TEKEN |
| Tijdelijk afbreekstreepje |
CTRL+AFBREEKSTREEPJE |
| Vast afbreekstreepje |
CTRL+SHIFT+AFBREEKSTREEPJE |
| Vaste spatie |
CTRL+SHIFT+SPATIEBALK |
| Copyright-teken |
ALT+CTRL+C |
| Symbool voor geregistreerd handelsmerk |
ALT+CTRL+R |
| Handelsmerksymbool |
ALT+CTRL+T |
| Weglatingsteken |
ALT+CTRL+PUNT |
| Enkel aanhalingsteken openen |
CTRL+` (enkel aanhalingsteken), `(enkel aanhalingsteken) |
| Enkel aanhalingsteken sluiten |
CTRL+' (enkel aanhalingsteken), '(enkel aanhalingsteken) |
| Dubbel aanhalingsteken openen |
CTRL+` (enkel aanhalingsteken), SHIFT+' (enkel aanhalingsteken) |
| Dubbel aanhalingsteken sluiten |
CTRL+' (enkel aanhalingsteken), SHIFT+' (enkel aanhalingsteken) |
| AutoTekst-fragment |
ENTER (nadat u de eerste letters van het AutoTekst-fragment hebt getypt en de scherminfo wordt weergegeven) |
Tekens invoegen met behulp van tekencodes
| Actie |
Toetsen |
Het Unicode-teken voor de opgegeven Unicode-tekencode (hexadecimaal) invoegen. Als u bijvoorbeeld het valutasymbool voor de euro wilt invoeren ( ), typt u 20AC en houdt u ALT ingedrukt terwijl u op X drukt. |
De tekencode, ALT+X |
| De Unicode-tekencode voor het geselecteerde teken opvragen |
ALT+X |
| Het ANSI-teken voor de ANSI-tekencode (decimaal) invoegen. Als u bijvoorbeeld het valutasymbool voor de euro wilt invoeren, houdt u ALT ingedrukt terwijl u op 0128 op het numerieke toetsenblok drukt. |
ALT+de tekencode (op het numerieke toetsenblok) |
Tekst en afbeeldingen selecteren
Tekst selecteren door SHIFT ingedrukt te houden terwijl u de cursor verplaatst met de pijltoetsen.
Een selectie uitbreiden
| Actie |
Toetsen |
| De uitbreidingsmodus inschakelen. |
F8 |
| Het dichtstbijzijnde teken selecteren. |
F8 en drukken op PIJL-LINKS of PIJL-RECHTS |
| De selectie uitbreiden. |
F8 (druk eenmaal om een woord te selecteren, tweemaal om een regel te selecteren, enzovoort) |
| De selectie verkleinen. |
SHIFT+F8 |
| De uitbreidingsmodus uitschakelen. |
ESC |
| De selectie één teken naar rechts uitbreiden. |
SHIFT+PIJL-RECHTS |
| De selectie één teken naar links uitbreiden. |
SHIFT+PIJL-LINKS |
| De selectie uitbreiden naar het einde van het woord. |
CTRL+SHIFT+PIJL-RECHTS |
| De selectie uitbreiden naar het begin van het woord. |
CTRL+SHIFT+PIJL-LINKS |
| De selectie uitbreiden naar het einde van de regel. |
SHIFT+END |
| De selectie uitbreiden naar het begin van de regel. |
SHIFT+HOME |
| De selectie één regel omlaag uitbreiden. |
SHIFT+PIJL-OMLAAG |
| De selectie één regel omhoog uitbreiden. |
SHIFT+PIJL-OMHOOG |
| De selectie uitbreiden naar het einde van de alinea. |
CTRL+SHIFT+PIJL-OMLAAG |
| De selectie uitbreiden naar het begin van de alinea. |
CTRL+SHIFT+PIJL-OMHOOG |
| De selectie één scherm omlaag uitbreiden. |
SHIFT+PAGE DOWN |
| De selectie één scherm omhoog uitbreiden. |
SHIFT+PAGE UP |
| De selectie uitbreiden naar het begin van het document. |
CTRL+SHIFT+HOME |
| De selectie uitbreiden naar het einde van het document. |
CTRL+SHIFT+END |
| De selectie uitbreiden naar het einde van het venster. |
ALT+CTRL+SHIFT+PAGE DOWN |
| De selectie uitbreiden tot het gehele document. |
CTRL+A |
| Een verticaal tekstblok selecteren. |
CTRL+SHIFT+F8 en de pijltoetsen gebruiken. Druk op ESC om de selectiemodus uit te schakelen |
| De selectie uitbreiden naar een bepaalde positie in het document. |
F8+pijltoetsen, druk op ESC om de selectiemodus uit te schakelen |
Tekst en afbeeldingen in een tabel selecteren
| Actie |
Toetsen |
| De inhoud van de volgende cel selecteren. |
TAB |
| De inhoud van de vorige cel selecteren. |
SHIFT+TAB |
| De selectie uitbreiden naar aangrenzende cellen. |
SHIFT ingedrukt houden en de pijltoetsen gebruiken |
| Een kolom selecteren. |
Ga met de pijltoetsen naar de bovenste of onderste cel in de kolom en voer daarna een van de volgende handelingen uit:
- Druk op SHIFT+ALT+PAGE DOWN om de kolom van boven naar beneden te selecteren.
- Druk op SHIFT+ALT+PAGE UP om de kolom van beneden naar boven te selecteren.
|
| De selectie (of een blok) uitbreiden. |
CTRL+SHIFT+F8 en de pijltoetsen gebruiken. Druk op ESC om de selectiemodus uit te schakelen |
|
|
| Een hele tabel selecteren. |
ALT+5 op het numerieke toetsenblok (met NUM LOCK uit) |
Door het document verplaatsen
| Verplaatsing |
Toetsen |
| Eén teken naar links. |
PIJL-LINKS |
| Eén teken naar rechts. |
PIJL-RECHTS |
| Eén woord naar links. |
CTRL+PIJL-LINKS |
| Eén woord naar rechts. |
CTRL+PIJL-RECHTS |
| Eén alinea omhoog. |
CTRL+PIJL-OMHOOG |
| Eén alinea omlaag. |
CTRL+PIJL-OMLAAG |
| Eén cel naar links (in een tabel). |
SHIFT+TAB |
| Eén cel naar rechts (in een tabel). |
TAB |
| Eén regel omhoog. |
PIJL-OMHOOG |
| Eén regel omlaag. |
PIJL-OMLAAG |
| Naar het einde van de regel. |
END |
| Naar het begin van de regel. |
HOME |
| Naar de bovenkant van het scherm. |
ALT+CTRL+PAGE UP |
| Naar de onderkant van het scherm. |
ALT+CTRL+PAGE DOWN |
| Eén scherm omhoog (schuiven). |
PAGE UP |
| Eén scherm omlaag (schuiven). |
PAGE DOWN |
| Naar de bovenkant van de volgende pagina. |
CTRL+PAGE DOWN |
| Naar de bovenkant van de vorige pagina. |
CTRL+PAGE UP |
| Naar het einde van het document. |
CTRL+END |
| Naar het begin van het document. |
CTRL+HOME |
| Naar een vorige bewerkingslocatie. |
SHIFT+F5 |
| Na het openen van een document naar de positie gaan waar u was toen het document de laatste keer werd gesloten |
SHIFT+F5 |
De invoegpositie in een tabel verplaatsen
| Verplaatsing |
Toetsen |
| Naar de volgende cel in een rij |
TAB |
| Naar de vorige cel in een rij |
SHIFT+TAB |
| Naar de eerste cel in een rij |
ALT+HOME |
| Naar de laatste cel in een rij |
ALT+END |
| Naar de eerste cel in een kolom |
ALT+PAGE UP |
| Naar de laatste cel in een kolom |
ALT+PAGE DOWN |
| Naar de vorige rij |
PIJL-OMHOOG |
| Naar de volgende rij |
PIJL-OMLAAG |
| Eén rij omhoog. |
ALT+SHIFT+PIJL-OMHOOG |
| Eén rij omlaag. |
ALT+SHIFT+PIJL-OMLAAG |
Alinea's en tabtekens invoegen in een tabel
| Invoegen van |
Toetsen |
| Nieuwe alinea in een cel. |
ENTER |
| Tabstop in een cel. |
CTRL+TAB |
Tekens en alinea's opmaken
Opmaak kopiëren
| Actie |
Toetsen |
| Opmaak van tekst kopiëren. |
CTRL+SHIFT+C |
| Gekopieerde opmaak toepassen op tekst. |
CTRL+SHIFT+V |
Het lettertype wijzigen of de tekengrootte aanpassen
Opmerking De volgende sneltoetsen werken niet in de modus Lezen in volledig scherm.
| Actie |
Toetsen |
| Het dialoogvenster Lettertype openen om het lettertype te wijzigen. |
CTRL+SHIFT+F |
| De tekengrootte vergroten. |
CTRL+SHIFT+> |
| De tekengrootte verkleinen. |
CTRL+SHIFT+< |
| De tekengrootte met 1 punt vergroten. |
CTRL+] |
| De tekengrootte met 1 punt verkleinen. |
CTRL+[ |
Tekenopmaak toepassen
| Actie |
Toetsen |
| Het dialoogvenster Lettertype openen om de tekenopmaak te wijzigen. |
CTRL+D |
| Gebruik van hoofdletters/kleine letters wijzigen. |
SHIFT+F3 |
| Alle letters opmaken als hoofdletters. |
CTRL+SHIFT+A |
| De opmaak Vet toepassen. |
CTRL+B |
| Onderstrepen toepassen. |
CTRL+U |
| Woorden onderstrepen, maar spaties niet onderstrepen. |
CTRL+SHIFT+W |
| Tekst dubbel onderstrepen. |
CTRL+SHIFT+D |
| De opmaak Verborgen tekst toepassen. |
CTRL+SHIFT+H |
| De opmaak Cursief toepassen. |
CTRL+I |
| Letters opmaken als klein kapitaal. |
CTRL+SHIFT+K |
| Teken in subscript zetten (afstand automatisch bepaald). |
CTRL+GELIJKTEKEN |
| Teken in superscript zetten (afstand automatisch bepaald). |
CTRL+SHIFT+PLUSTEKEN |
| Handmatig toegepaste tekenopmaak verwijderen. |
CTRL+SPATIEBALK |
| De selectie wijzigen in het lettertype Symbol. |
CTRL+SHIFT+Q |
Tekstopmaak bekijken en kopiëren
| Actie |
Toetsen |
| Niet-afdrukbare tekens weergeven. |
CTRL+SHIFT+* (het sterretje op het numerieke toetsenblok werkt niet) |
| De tekstopmaak herzien. |
SHIFT+F1 (en klik op de tekst met de opmaak die u wilt herzien) |
| Opmaak kopiëren. |
CTRL+SHIFT+C |
| Opmaak plakken. |
CTRL+SHIFT+V |
De regelafstand instellen
| Actie |
Toetsen |
| Regelafstand 1. |
CTRL+1 |
| Regelafstand 2. |
CTRL+2 |
| Regelafstand 1,5. |
CTRL+5 |
| Eén witregel voorafgaand aan de tekst toevoegen of verwijderen. |
CTRL+0 (nul) |
Alinea's uitlijnen
| Actie |
Toetsen |
| Een alinea schakelen tussen gecentreerd en links uitgelijnd. |
CTRL+E |
| Een alinea schakelen tussen uitgevuld en links uitgelijnd. |
CTRL+J |
| Een alinea schakelen tussen rechts uitgelijnd en links uitgelijnd. |
CTRL+R |
| Een alinea links uitlijnen. |
CTRL+L |
| Een alinea links laten inspringen. |
CTRL+M |
| Een alinea-inspringing aan de linkerkant verwijderen. |
CTRL+SHIFT+M |
| Verkeerd-om inspringen. |
CTRL+T |
| Een verkeerd-om inspringing verkleinen. |
CTRL+SHIFT+T |
| Alineaopmaak verwijderen. |
CTRL+Q |
Alineaopmaak toepassen
| Actie |
Toetsen |
| Het taakvenster Stijl toepassen openen. |
CTRL+SHIFT+S |
| Het taakvenster Stijlen openen. |
ALT+CTRL+SHIFT+S |
| AutoOpmaak starten. |
ALT+CTRL+K |
| Het opmaakprofiel Standaard toepassen. |
CTRL+SHIFT+N |
| Het opmaakprofiel Kop 1 toepassen. |
ALT+CTRL+1 |
| Het opmaakprofiel Kop 2 toepassen. |
ALT+CTRL+2 |
| Het opmaakprofiel Kop 3 toepassen. |
ALT+CTRL+3 |
Het taakvenster Stijlen sluiten
- Als het taakvenster Stijlen niet is geselecteerd, drukt u op F6 om het alsnog te selecteren.
- Druk op CTRL+SPATIEBALK.
- Selecteer Sluiten met behulp van de pijltoetsen en druk op ENTER.
Objecten invoegen en bewerken
Een object invoegen
- Druk op ALT, N, J en J om het dialoogvenster Object te openen.
- Ga op een van de volgende manieren te werk.
- Druk op PIJL-OMLAAG om een objecttype te selecteren en druk op ENTER om een object te maken.
- Druk op CTRL+TAB om naar het tabblad Bestand gebruiken te gaan en typ de bestandsnaam van het object dat u wilt invoegen of blader naar het bestand.
Een object bewerken
- Zorg ervoor dat de cursor links van het object in het document staat en selecteer het object door op SHIFT+PIJL-RECHTS te drukken.
- Druk op SHIFT+F10.
- Druk op TAB om naar Objectnaam-object te gaan, druk op ENTER en druk nogmaals op ENTER.
SmartArt-afbeeldingen invoegen
- Druk op ALT, druk op N en druk vervolgens op M om SmartArt te selecteren.
- Druk op de pijltoetsen om het gewenste type afbeelding te selecteren.
- Druk op TAB en druk vervolgens op de pijltoetsen om de afbeelding te selecteren die u wilt invoegen.
- Druk op ENTER.
WordArt invoegen
- Druk op ALT, druk op N en druk vervolgens op W om WordArt te selecteren.
- Gebruik de pijltoetsen om de gewenste WordArt-stijl te selecteren en druk op ENTER.
- Typ de gewenste tekst.
- Druk op TAB en druk op ENTER.
Afdruk samenvoegen en velden
De functie Afdruk samenvoegen uitvoeren
Opmerking U moet zich op het tabblad Verzendlijsten bevinden om deze sneltoetsen te kunnen gebruiken.
| Actie |
Toetsen |
| Een samenvoegresultaat vooraf bekijken. |
ALT+SHIFT+K |
| Een document samenvoegen. |
ALT+SHIFT+N |
| Het samengevoegde document afdrukken. |
ALT+SHIFT+M |
| Een gegevensdocument voor Afdruk samenvoegen bewerken. |
ALT+SHIFT+E |
| Een samenvoegveld invoegen. |
ALT+SHIFT+F |
Werken met velden
| Actie |
Toetsen |
| Een DATE-veld invoegen. |
ALT+SHIFT+D |
| Een LISTNUM-veld invoegen. |
ALT+CTRL+L |
| Een PAGE-veld invoegen. |
ALT+SHIFT+P |
| Een TIME-veld invoegen. |
ALT+SHIFT+T |
| Een leeg veld invoegen. |
CTRL+F9 |
| Gekoppelde informatie in een Microsoft Office Word-brondocument bijwerken. |
CTRL+SHIFT+F7 |
| Geselecteerde velden bijwerken. |
F9 |
| Een veld ontkoppelen. |
CTRL+SHIFT+F9 |
| Schakelen tussen een geselecteerde veldcode en het veldresultaat. |
SHIFT+F9 |
| Schakelen tussen alle veldcodes en alle veldresultaten. |
ALT+F9 |
| Een GOTOBUTTON- of MACROBUTTON-bewerking uitvoeren vanuit het veld met de veldresultaten. |
ALT+SHIFT+F9 |
| Naar het volgende veld gaan. |
F11 |
| Naar het vorige veld gaan. |
SHIFT+F11 |
| Een veld vergrendelen. |
CTRL+F11 |
| Een veld ontgrendelen. |
CTRL+SHIFT+F11 |
De werkbalk Taal
Handschriftherkenning
| Actie |
Toetsen |
| Schakelen tussen talen of toetsenbordindelingen. |
ALT (links)+SHIFT |
| Een lijst met correctiesuggesties weergeven. |
+C |
| Handschrift in- of uitschakelen. |
+H |
| Japanse IME (Input Method Editor) op een toetsenbord met 101 toetsen in- of uitschakelen. |
ALT+~ |
| Koreaanse IME op een toetsenbord met 101 toetsen in- of uitschakelen. |
ALT (rechts) |
| Chinese IME op een toetsenbord met 101 toetsen in- of uitschakelen. |
CTRL+SPATIEBALK |
Tips
- U kunt de toetsencombinatie voor het schakelen tussen talen of toetsenbordindelingen kiezen in het dialoogvenster Geavanceerde toetsinstelling. U opent het dialoogvenster Geavanceerde toetsinstelling door met de rechtermuisknop te klikken op de werkbalk Taal en vervolgens te klikken op Instellingen. Klik onder Voorkeuren op Toetsinstellingen.
- De toets met het Windows-logo (
) bevindt zich op de onderste rij van de meeste toetsenborden.
Terug naar boven
Overzicht van functietoetsen
Functietoetsen
| Actie |
Toetsen |
| Help opvragen of Microsoft Office Online bezoeken. |
F1 |
| Tekst of afbeeldingen verplaatsen. |
F2 |
| De laatste bewerking herhalen. |
F4 |
| De opdracht Ga naar kiezen (tabblad Start). |
F5 |
| Naar het volgende deelvenster of frame gaan. |
F6 |
| De opdracht Spelling kiezen (tabblad Controleren). |
F7 |
| De selectie uitbreiden. |
F8 |
| De geselecteerde velden bijwerken. |
F9 |
| Toetstips weergeven. |
F10 |
| Naar het volgende veld gaan. |
F11 |
De opdracht Opslaan als kiezen (Microsoft Office-knop ). |
F12 |
SHIFT+Functietoets
| Actie |
Toetsen |
| De contextgevoelige Help-functie starten of opmaak weergeven. |
SHIFT+F1 |
| Tekst kopiëren. |
SHIFT+F2 |
| Gebruik van hoofdletters/kleine letters wijzigen. |
SHIFT+F3 |
| Zoeken of Ga naar herhalen. |
SHIFT+F4 |
| Naar de laatste wijziging gaan. |
SHIFT+F5 |
| Naar het vorige deelvenster of frame gaan (nadat u op F6 hebt gedrukt). |
SHIFT+F6 |
| De opdracht Synoniemen kiezen (tabblad Controleren, groep Controle). |
SHIFT+F7 |
| Een selectie verkleinen. |
SHIFT+F8 |
| Schakelen tussen veldcode en veldresultaat. |
SHIFT+F9 |
| Een snelmenu weergeven. |
SHIFT+F10 |
| Naar het vorige veld gaan. |
SHIFT+F11 |
De opdracht Opslaan kiezen (Microsoft Office-knop ). |
SHIFT+F12 |
CTRL+Functietoets
| Actie |
Toetsen |
De opdracht Afdrukvoorbeeld kiezen (Microsoft Office-knop ). |
CTRL+F2 |
| De selectie knippen en naar de Prikker kopiëren. |
CTRL+F3 |
| Het venster sluiten. |
CTRL+F4 |
| Naar volgende venster gaan. |
CTRL+F6 |
| Een leeg veld invoegen. |
CTRL+F9 |
| Het documentvenster maximaliseren. |
CTRL+F10 |
| Een veld vergrendelen. |
CTRL+F11 |
De opdracht Openen kiezen (Microsoft Office-knop ). |
CTRL+F12 |
CTRL+SHIFT+Functietoets
| Actie |
Toetsen |
| De inhoud van de Prikker invoegen. |
CTRL+SHIFT+F3 |
| Een bladwijzer bewerken. |
CTRL+SHIFT+F5 |
| Naar het vorige venster gaan. |
CTRL+SHIFT+F6 |
| Gekoppelde informatie in een Office Word 2007-brondocument bijwerken. |
CTRL+SHIFT+F7 |
| Een selectie of blok uitbreiden. |
CTRL+SHIFT+F8 en druk vervolgens op een pijltoets |
| Een veld ontkoppelen. |
CTRL+SHIFT+F9 |
| Een veld ontgrendelen. |
CTRL+SHIFT+F11 |
De opdracht Afdrukken kiezen (Microsoft Office-knop ). |
CTRL+SHIFT+F12 |
ALT+Functietoets
| Actie |
Toetsen |
| Naar het volgende veld gaan. |
ALT+F1 |
| Een nieuwe bouwsteen maken. |
ALT+F3 |
| Office Word 2007 afsluiten. |
ALT+F4 |
| Het vorige formaat van het toepassingsvenster herstellen. |
ALT+F5 |
| Van een geopend dialoogvenster terugkeren naar het document voor dialoogvensters die dit ondersteunen, zoals Zoeken en vervangen. |
ALT+F6 |
| Het volgende foutief gespelde woord of de volgende grammaticale fout zoeken. |
ALT+F7 |
| Een macro uitvoeren. |
ALT+F8 |
| Schakelen tussen alle veldcodes en alle veldresultaten. |
ALT+F9 |
| Het toepassingsvenster maximaliseren. |
ALT+F10 |
| Microsoft Visual Basic-code weergeven. |
ALT+F11 |
ALT+SHIFT+Functietoets
| Actie |
Toetsen |
| Naar het vorige veld gaan. |
ALT+SHIFT+F1 |
De opdracht Opslaan kiezen (Microsoft Office-knop ). |
ALT+SHIFT+F2 |
| Het taakvenster Onderzoek weergeven. |
ALT+SHIFT+F7 |
| Een GOTOBUTTON- of MACROBUTTON-bewerking uitvoeren vanuit het veld met de veldresultaten. |
ALT+SHIFT+F9 |
| Een menu of bericht voor een infolabel weergeven. |
ALT+SHIFT+F10 |
CTRL+ALT+Functietoets
| Actie |
Toetsen |
| Microsoft-systeeminformatie weergeven. |
CTRL+ALT+F1 |
De opdracht Openen kiezen (Microsoft Office-knop ). |
CTRL+ALT+F2 |
Terug naar boven