UML gebruiken om klasse-, sequentie, use-case-, activiteits- of statusdiagrammen te maken

UML (Unified Modeling Language) biedt een standaardmethode om softwaremodellen te tekenen. U gebruikt de UML-sjablonen in Visio om ontwerpen te schetsen of om bestaande ontwerpen te documenteren.

Visio biedt sjablonen voor UML 2.0-versies van diverse diagramtypen:

  • Klassediagram
  • Sequentiediagram
  • Use-case-diagram
  • Activiteitsdiagram
  • Statusdiagram

U vindt de juiste sjabloon waarmee u wilt beginnen door te klikken op Bestand > Nieuw en de naam van het gewenste diagram te typen in het zoekvak (of door UML te typen om alle sjablonen te vinden).

De UML-shapes gebruiken

Aangezien UML-shapes eenvoudig en vrije vormen zijn, kunt u snel en gemakkelijk prototypen maken. U voegt informatie zoals kenmerken, bewerkingen en dergelijke toe door te klikken op het tekstvak dat u wilt bewerken in de UML-shape. Als alleen dat tekstvak is geselecteerd in de shape, typt u de tekst. Als u tekst hebt toegevoegd en deze later wilt wijzigen, dubbelklikt u op het tekstvak om dit voor bewerking te openen. (Als u alleen het vak selecteert en begint te typen zonder te dubbelklikken, wordt de oorspronkelijke tekst verwijderd.)

U verbindt shapes met behulp van Automatisch verbinden of de speciale verbindingslijnen die u vindt in de stencils. Als u een speciale verbindingslijn wilt gebruiken, plaatst u deze op de tekenpagina en sleept u de uiteinden naar het midden van de shapes die u wilt verbinden of naar specifieke verbindingspunten op de zijden van de shapes.

Optionele elementen weergeven of verbergen.

Sommige shapes hebben optionele elementen die u kunt weergeven als u meer informatie wilt tonen of kunt verbergen als u het diagram wilt vereenvoudigen.

  1. Selecteer de hele shape. De selectie-omtrek met de besturingsgrepen moet langs de buitenste zijde van de hele shape lopen om aan te geven dat geen afzonderlijke shapes in de groep zijn geselecteerd. Mogelijk moet u op een leeg deel van de pagina klikken om de selectie op te heffen en daarna klikken op een niet-tekstueel gedeelte van de shape. U kunt ook meer dan eenmaal klikken op een geselecteerde subshape totdat de selectie naar de hele shape wordt verplaatst.
  2. Klik met de rechtermuisknop op de geselecteerde shape. De optionele elementen worden weergegeven in het snelmenu, bijvoorbeeld Parameter weergeven en Stereotype weergeven.
 
 
Van toepassing op:
Visio Professional 2013