Shapes verbinden via Automatisch verbinden of het hulpmiddel Verbindingslijn

Via Automatisch verbinden kunt u snel verbonden shapes aan uw diagram toevoegen zonder terug te gaan naar het venster Shapes om elke shape op te halen. Elke geselecteerde shape wordt toegevoegd met dezelfde spatiëring en gelijkmatige uitlijning.

Wanneer u de aanwijzer boven de pijl van Automatisch verbinden voor een shape houdt, wordt er een miniwerkbalk naast de aanwijzer weergegeven.

Miniwerkbalk

De werkbalk bevat de eerste vier items van het gebied Snelle shapes van het actieve stencil (of, als het stencil Snelle shapes actief is, de eerste vier items van de groep die een geselecteerde shape bevat), met uitzondering van eendimensionale shapes. Klik op een shape in de miniwerkbalk om de shape aan de pagina toe te voegen.

Als de shapes die u wilt verbinden, al op de pagina staan, kunt u een verbindingslijn slepen van de pijl van Automatisch verbinden van de ene shape naar die van een andere.

Wat wilt u doen?


Verbonden shapes automatisch aan de pagina toevoegen

  1. Sleep een beginshape van het venster Shapes naar de pagina, als er nog geen shapes op de pagina staan.
  2. Houd de aanwijzer boven de beginshape tot er blauwe pijlen voor Automatisch verbinden rond de vorm worden weergegeven.
  3. Houd de aanwijzer boven de pijl in de richting waarin u een shape wilt toevoegen.

Er wordt een miniwerkbalk weergegeven met de eerste vier Snelle shapes die momenteel in het stencil Snelle shapes staan. Er wordt een livevoorbeeld op de pagina weergegeven van de shape die in het stencil is geselecteerd.

  1. Beweeg de aanwijzer over de vier shapes op de miniwerkbalk om een livevoorbeeld van de shapes op de pagina te bekijken.
  2. Klik op de shape die u wilt toevoegen.

Als u een andere shape wilt toevoegen, haalt u de aanwijzer weg van de pijl van Automatisch verbinden. De voorbeelden worden nu verwijderd. U kunt de gewenste shape nu uit het venster Shapes slepen.

Snelle taken

Taak Actie
De snelle shapes voor een stencil wijzigen. Open het stencil en sleep de snelle shapes in de gewenste volgorde. U kunt de shapes in en uit het gebied Snelle shapes slepen.
Wijzigen welke shapes op de miniwerkbalk worden weergegeven.

Selecteer in het stencil Snelle shapes een shape in de groep Snelle shapes die u op de miniwerkbalk wilt weergeven. De groep met de geselecteerde shapes wordt nu op de werkbalk weergegeven.

U kunt ook het stencil dat de shapes bevat die u het eerst wilt weergeven, verslepen en vlak onder de titelbalk van Snelle shapes neerzetten. U kunt de volgorde van andere stencils wijzigen door ze hoger of lager in het venster Shapes neer te zetten; ze worden met dezelfde volgorde weergegeven in het stencil Snelle shapes .

Terug naar boven Terug naar boven

Shapes verbinden die al op de pagina staan

Shapes verbinden via Automatisch verbinden

  1. Houd de aanwijzer boven een shape tot er blauwe pijlen van Automatisch verbinden rond de shape worden weergegeven.
  2. Klik en sleep van de pijl van Automatisch verbinden naar een andere shape, en zet het eindpunt van de verbindingslijn in het midden van de shape voor een dynamische verbinding, of op een specifiek verbindingspunt voor een puntverbinding.

Er wordt een livevoorbeeld van een shape weergegeven wanneer u de aanwijzer boven de blauwe pijl houdt, maar u kunt de shape negeren. Deze verdwijnt wanneer u de aanwijzer verplaatst.

Shapes verbinden via het hulpmiddel Verbindingslijn

  1. Klik op het tabblad Start in de groep Extra op Verbindingslijn .
  2. Klik op een shape en sleep een verbindingslijn naar een andere shape.

Als u de verbindingslijn verbonden wilt houden met een specifiek punt op een shape, sleept u van een verbindingspunt op de eerste shape naar een verbindingspunt op de tweede shape. De eindpunten van de verbindingslijn worden rood als de shapes met elkaar zijn verbonden. Dit wordt een puntverbinding genoemd.

Als de verbindingslijn met de shape moet worden meeverplaatst, zet u het hulpmiddel Verbindingslijn boven het midden van de eerste shape tot er een rood vierkantje om de shape wordt weergegeven. Sleep vervolgens de muis met ingedrukte muisknop naar het midden van de tweede shape. Wanneer er ook een rood vierkantje rond de tweede shape verschijnt, laat u de muisknop los. Dit is een dynamische verbinding.

Snelle taken

Taak Actie
Het type verbindingslijn wijzigen naar rechte hoeken, recht of gekromd. Klik met de rechtermuisknop op de verbindingslijn en klik op het verbindingslijntype in het snelmenu.
Lijn de shapes zo uit dat de verbindingslijnen netjes worden weergegeven. Selecteer alle shapes die u wilt uitlijnen en klik vervolgens op het tabblad Start op Automatisch uitlijnen en spatiëren. U kunt meerdere shapes selecteren door op Ctrl te drukken wanneer u op de shapes klikt, of door een van de opties voor Selecteren te gebruiken.
Een verbinding van dynamisch naar puntverbinding wijzigen, of omgekeerd. Selecteer de verbindingslijn en sleep het uiteinde van de verbindingslijn weg van de shape. Plaats de verbindingslijn vervolgens op een specifiek punt voor een puntverbinding, of op het midden van de shape voor een dynamische verbinding.

Terug naar boven Terug naar boven

Automatisch verbinden in- of uitschakelen

U kunt de functie Automatisch verbinden in- of uitschakelen voor alle Visio-tekeningen of alleen voor de actieve tekening.

Automatisch verbinden in- of uitschakelen in het actieve diagram

  • Schakel op het tabblad Beeld in de groep Visuele hulpmiddelen het selectievakje Automatisch verbinden in of uit.

Als het selectievakje Automatisch verbinden niet beschikbaar is, controleert u of Automatisch verbinden voor alle diagrammen is uitgeschakeld door de volgende stappen uit te voeren.

Automatisch verbinden in- of uitschakelen in alle diagrammen

  1. Klik op de Microsoft Backstage-knop Microsoft Backstage-knop.
  1. Klik onder het tabblad Visio op Opties.
  2. Klik op de categorie Geavanceerd .
  3. Schakel onder Opties voor bewerken het selectievakje Automatisch verbinden inschakelen in om Automatisch verbinden in te schakelen. Schakel het selectievakje uit om Automatisch verbinden uit te schakelen.

Terug naar boven Terug naar boven

 
 
Van toepassing op:
Visio 2010