TRANSPONEREN

Geeft een verticaal cellenbereik als resultaat van een horizontaal cellenbereik, en vice versa. TRANSPONEREN moet worden ingevoerd als een matrixformule (matrixformule: een formule waarmee meerdere bewerkingen op een of meer waardensets worden uitgevoerd en die een of meerdere resultaten oplevert. Matrixformules worden ingevoerd tussen accolades { } en uitgevoerd met CTRL+SHIFT+ENTER.) in een bereik met hetzelfde aantal rijen en kolommen als matrix (matrix: wordt gebruikt om enkelvoudige formules te maken die meerdere resultaten geven of die worden toegepast op een groep argumenten die in rijen en kolommen zijn gerangschikt. Een matrixbereik heeft een gemeenschappelijke formule; een matrixconstante is een groep constanten die als argument wordt gebruikt.). Gebruik TRANSPONEREN om de verticale en horizontale stand van een matrix in een werkblad of een macroblad om te draaien.

Syntaxis

TRANSPONEREN(matrix)

matrix     is een matrix of een cellenbereik in een werkblad dat u wilt transponeren. Het transponeren van een matrix gebeurt door de eerste rij van de matrix te gebruiken als de eerste kolom van de nieuwe matrix, de tweede rij van de matrix als de tweede kolom van de nieuwe matrix, enz.

Voorbeeld 1

Het voorbeeld is mogelijk beter te begrijpen als u het naar een leeg werkblad kopieert.

WeergevenWerkwijze

  1. Maak een lege werkmap of een leeg werkblad.
  2. Selecteer het voorbeeld in het Help-onderwerp. Selecteer geen rij- of kolomkoppen. 

Een voorbeeld selecteren in een Help-onderwerp

Een voorbeeld selecteren in een Help-onderwerp
  1. Druk op CTRL+C.
  2. Selecteer cel A1 in het werkblad en druk op CTRL+V.
  3. Als u afwisselend de resultaten en de bijbehorende formules wilt weergeven, drukt u op CTRL+` (accent grave). U kunt ook de optie Formules controleren aanwijzen in het menu Extra en vervolgens op Controlemodus voor formules klikken.
 
1
2
A B C
Gegevens Gegevens Gegevens
1 2 3
Formule Beschrijving (resultaat)
=TRANSPONEREN($A$2:$C$2) De waarde uit de eerste kolom (1)
De waarde uit de tweede kolom (2)
De waarde uit de derde kolom (3)

 Opmerking   De formule in dit voorbeeld moet een matrixformule zijn. Kopieer het voorbeeld naar een leeg werkblad en selecteer het bereik A5:A7, te beginnen bij de formulecel. Druk eerst op F2 en vervolgens op CTRL+SHIFT+ENTER. Als de formule geen matrixformule is, is '1' het resultaat.

Voorbeeld 2

Sommige functies, zoals bijvoorbeeld LIJNSCH, geven horizontale matrices als resultaat. LIJNSCH geeft als resultaat voor een regel een horizontale matrix van het richtingscoëfficiënt en het y-snijpunt. De volgende formule geeft als resultaat een verticale matrix van het richtingscoëfficiënt en het snijpunt van LIJNSCH.

Het voorbeeld is mogelijk beter te begrijpen als u het naar een leeg werkblad kopieert.

WeergevenWerkwijze

  1. Maak een lege werkmap of een leeg werkblad.
  2. Selecteer het voorbeeld in het Help-onderwerp. Selecteer geen rij- of kolomkoppen. 

Een voorbeeld selecteren in een Help-onderwerp

Een voorbeeld selecteren in een Help-onderwerp
  1. Druk op CTRL+C.
  2. Selecteer cel A1 in het werkblad en druk op CTRL+V.
  3. Als u afwisselend de resultaten en de bijbehorende formules wilt weergeven, drukt u op CTRL+` (accent grave). U kunt ook de optie Formules controleren aanwijzen in het menu Extra en vervolgens op Controlemodus voor formules klikken.
 
1
2
3
4
5
A B
y-bekend x-bekend
1 0
9 4
5 2
7 3
Formule Beschrijving (resultaat)
=TRANSPONEREN(LIJNSCH(A2:A5;B2:B5;ONWAAR)) Richtingscoëfficiënt (2)
Y-snijpunt (1)

 Opmerking   De formule in dit voorbeeld moet een matrixformule zijn. Kopieer het voorbeeld naar een leeg werkblad en selecteer het bereik A7:A8, te beginnen bij de formulecel. Druk eerst op F2 en vervolgens op CTRL+SHIFT+ENTER. Als de formule geen matrixformule is, is '2' het resultaat.

 
 
Van toepassing op:
Excel 2003