Overzicht van formules

Formules zijn vergelijkingen waarmee berekeningen worden uitgevoerd op de waarden in het werkblad. Een formule begint met een gelijkteken (=). In het onderstaande voorbeeld wordt de waarde 2 vermenigvuldigd met 3 en wordt de waarde 5 bij het resultaat opgeteld.

=5+2*3

Een formule kan een van de volgende of alle volgende onderdelen bevatten: functies (functie: een vooraf geschreven formule die een of meer waarden nodig heeft, daarmee een bewerking uitvoert en een of meer waarden als resultaat heeft. Gebruik functies om formules - vooral formules waarmee lange of complexe berekeningen worden uitgevoerd - op een werkblad te vereenvoudigen en te verkorten.), verwijzingen, operatoren (operator: een teken of symbool dat het type berekening aangeeft dat in een expressie moet worden uitgevoerd. Er zijn rekenkundige operatoren, vergelijkingsoperatoren, logische operatoren en verwijzingsoperatoren.) en constanten (constante: een waarde die niet is berekend en daarom niet verandert. Het getal 210 en de tekst 'Kwartaalcijfers' zijn bijvoorbeeld constanten. Een expressie of een waarde die het resultaat is van een expressie, is geen constante.).


Onderdelen van een formule

Onderdelen van een formule
Toelichting 1 Functies: de functie PI() retourneert de waarde pi: 3,142...
Toelichting 2 Verwijzingen: A2 retourneert de waarde in cel A2.
Toelichting 3 Constanten: getallen of tekstwaarden die rechtstreeks in een formule zijn ingevoerd, zoals 2.
Toelichting 4 Operatoren: de operator ^ (caret) verheft een getal tot een bepaalde macht en de operator * (sterretje) vermenigvuldigt een getal.

In dit artikel


Constanten in formules gebruiken

Een constante is een waarde die niet wordt berekend. De datum 10-9-2008, het getal 210, en de tekst 'Inkomsten per kwartaal' zijn constanten. Een expressie, of een waarde die het resultaat is van een expressie, is geen constante. Als u in een formule constante waarden gebruikt in plaats van verwijzingen naar cellen (bijvoorbeeld =30+70+110), verandert de uitkomst van de formule alleen als u de formule zelf aanpast.

Terug naar boven Terug naar boven

Operatoren in formules gebruiken

Met operatoren geeft u het type berekening op dat u met de elementen in een formule wilt uitvoeren. U kunt de standaardvolgorde waarin de berekeningen worden uitgevoerd wijzigen door haakjes te gebruiken.

Typen operatoren

Er bestaan vier typen operatoren voor berekeningen: rekenkundige operatoren, vergelijkingsoperatoren, samenvoegingsoperatoren en verwijzingsoperatoren.

Rekenkundige operatoren

Als u rekenkundige basisbewerkingen wilt uitvoeren, zoals optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, en als u getallen wilt combineren of numerieke resultaten wilt produceren, gebruikt u de volgende rekenkundige operatoren.

Rekenkundige operator Functie Voorbeeld
+ (plusteken) Optellen 3+3
– (minteken) Aftrekken
Negatief
3–1
–1
* (sterretje) Vermenigvuldigen 3*3
/ (slash) Delen 3/3
% (procentteken) Percentage berekenen 20%
^ (caret) Machtsverheffen 3^2

Vergelijkingsoperatoren

Met de volgende operatoren kunt u twee waarden vergelijken. Wanneer twee waarden worden vergeleken met behulp van deze operatoren,

Vergelijkingsoperator Functie Voorbeeld
= (gelijkteken) Gelijk aan A1=B1
> (groter-dan-teken) Groter dan A1>B1
< (kleiner-dan-teken) Kleiner dan A1<B1
>= (groter-dan-of-gelijk-aan-teken) Groter dan of gelijk aan A1>=B1
<= (kleiner-dan-of-gelijk-aan-teken) Kleiner dan of gelijk aan A1<=B1
<> (niet-gelijk-aan-teken) Niet gelijk aan A1<>B1

is het resultaat de logische waarde WAAR of ONWAAR.

Samenvoegingsoperatoren

Met het en-teken (&) combineert u een of meer tekstreeksen tot één tekstfragment.

Tekstoperator Functie Voorbeeld
& Koppelt of verbindt twee waarden tot één tekstwaarde "Noorden"&"wind"

Verwijzingsoperatoren

Met de volgende verwijzingsoperatoren combineert u cellenbereiken voor berekeningen.

Verwijzingsoperator Functie Voorbeeld
: (dubbele punt) De bereikoperator, waarmee één celverwijzing naar alle cellen tussen twee verwijzingen wordt gemaakt, inclusief de twee verwijzingen B5:B15
; (puntkomma) De verenigingsoperator, waarmee meerdere verwijzingen tot één verwijzing worden gecombineerd SOM(B5:B15;D5:D15)
 (spatie) De doorsnede-operator, waarmee één verwijzing naar de gemeenschappelijke cellen van twee bereiken wordt gemaakt B7:D7 C6:C8

De volgorde waarin bewerkingen in formules door Excel worden uitgevoerd

In sommige gevallen kan de volgorde waarin een berekening wordt uitgevoerd gevolgen hebben voor het resultaat van een formule. Het is dus belangrijk dat u begrijpt welke volgorde wordt aangehouden en hoe u de volgorde kunt wijzigen om het gewenste resultaat te verkrijgen.

Volgorde van berekeningen

Met formules worden waarden altijd in een bepaalde volgorde berekend. Een formule in Excel begint altijd met het gelijkteken (=). Het gelijkteken geeft aan dat de volgende tekens een formule vormen. Na het gelijkteken komen de elementen die moeten worden berekend (de operanden). Deze worden gescheiden door berekeningsoperatoren. In Excel wordt een formule van links naar rechts berekend, op basis van een bepaalde volgorde voor elke operator in de formule.

Prioriteit

Als u diverse operatoren in een formule combineert, worden de bewerkingen in Excel uitgevoerd in de volgorde die in de volgende tabel is aangegeven. Als een formule operatoren met dezelfde prioriteit bevat (bijvoorbeeld een formule met zowel een vermenigvuldigingsoperator als een deeloperator), worden de operatoren van links naar rechts geëvalueerd.

Operator Functie

: (dubbele punt)

  (één spatie)

; (puntkomma)

Verwijzingsoperatoren
Negatief maken (bijvoorbeeld –1)
% Percentage berekenen
^ Machtsverheffen
* en / Vermenigvuldigen en delen
+ en – Optellen en aftrekken
& Twee tekenreeksen aan elkaar koppelen
=
<>
<=
>=
<>
Vergelijken

Het gebruik van haakjes

Als u de evaluatievolgorde wilt wijzigen, plaatst u het deel van de formule dat u als eerste wilt berekenen tussen haakjes. Zo levert de volgende formule 11 op omdat in Excel vermenigvuldigen voor optellen gaat. In de formule wordt 2 vermenigvuldigd met 3 en wordt 5 bij het resultaat opgeteld.

=5+2*3

Als u daarentegen de syntaxis verandert door haakjes te gebruiken, wordt eerst 2 opgeteld bij 5 en wordt de som met 3 vermenigvuldigd, met 21 als resultaat.

=(5+2)*3

In het volgende voorbeeld zorgen de haakjes rond het eerste deel van de formule ervoor dat B4+25 eerst wordt berekend en dat het resultaat hiervan wordt gedeeld door de som van de waarden in de cellen D5, E5 en F5.

=(B4+25)/SOM(D5:F5)

Terug naar boven Terug naar boven

Functies en geneste functies in formules gebruiken

Functies zijn vooraf gedefinieerde formules die berekeningen uitvoeren met gebruik van specifieke waarden, die argumenten worden genoemd, in een specifieke volgorde of structuur. U kunt functies gebruiken voor het uitvoeren van eenvoudige of complexe berekeningen.

De syntaxis van functies

Het volgende voorbeeld van de functie AFRONDEN waarmee het getal in cel A10 wordt afgerond, toont de syntaxis van een functie.


De structuur van een functie

De structuur van een functie
Toelichting 1 Structuur. Een functie begint altijd met een gelijkteken (=), gevolgd door de functienaam, een haakje openen, de argumenten voor de functie gescheiden door puntkomma's, en een haakje sluiten.
Toelichting 2 Functienaam. Klik op een cel en druk op Shift+F3 om een lijst met de beschikbare functies weer te geven.
Toelichting 4 Knopinfo voor argumenten. Een kader met de syntaxis en argumenten van de functie dat verschijnt tijdens het typen van de functie. Als u bijvoorbeeld =AFRONDEN( typt, verschijnt een kader met informatie over deze functie. De Knopinfo wordt alleen weergegeven voor ingebouwde functies.

Functies invoeren

Wanneer u een formule met een functie maakt, kunt u het dialoogvenster Functie invoegen gebruiken bij het invoeren van werkbladfuncties. Als u een functie invoert in de formule, worden in het dialoogvenster Functie invoegen de naam van de functie weergegeven, de verschillende argumenten, een beschrijving van de functie en de argumenten, het huidige resultaat van de functie en het huidige resultaat van de gehele formule.

Gebruik de functie Automatisch aanvullen voor formules om het invoeren van formules te vereenvoudigen en het aantal invoer- en syntaxisfouten tot een minimum te beperken. Nadat u een = (gelijkteken) en de beginletters of een weergave-initiator hebt getypt, verschijnt er in Microsoft Office Excel een dynamische vervolgkeuzelijst met geldige functies, argumenten en namen die met de letters of weergave-initiator overeenkomen. Vervolgens kunt u een vermelding uit de vervolgkeuzelijst in de formule opnemen.

Functies nesten

Het kan soms nodig zijn om een functie te gebruiken als een van de argumenten (argument: de waarden die bij een functie worden gebruikt om bewerkingen of berekeningen uit te voeren. Voor elke functie kunnen bepaalde typen argumenten worden gebruikt. Veelvoorkomende argumenten voor functies zijn getallen, tekst, celverwijzingen en namen.) van een andere functie. In de volgende formule wordt bijvoorbeeld een geneste functie GEMIDDELDE gebruikt en wordt het resultaat vergeleken met de waarde 50.

Geneste functies

Toelichting 1 De functies GEMIDDELDE en SOM zijn genest in de functie ALS.

Geldige resultaten        Wanneer een geneste functie als argument wordt gebruikt, moet deze resulteren in het waardetype van het argument. Als het argument bijvoorbeeld resulteert in de waarde WAAR of ONWAAR, moet de geneste functie eveneens WAAR of ONWAAR opleveren. Als dat niet het geval is, wordt de foutwaarde #WAARDE! weergegeven.

Beperkingen bij het nesten van functies     Een formule kan maximaal zeven niveaus van geneste functies bevatten. Wanneer functie B als argument in functie A wordt gebruikt, is functie B een functie op het tweede niveau. Zo zijn GEMIDDELDE en SOM beide functies op het tweede niveau, omdat het argumenten zijn van de functie ALS. Een geneste functie binnen de functie GEMIDDELDE zou een functie op het derde niveau zijn, enzovoort.

Terug naar boven Terug naar boven

Verwijzingen in formules gebruiken

Een verwijzing wordt gebruikt om een cel of een cellenbereik in een werkblad aan te geven waarin zich de waarden of gegevens bevinden die u in een formule wilt gebruiken. Met verwijzingen kunt u gegevens in verschillende delen van een werkblad in een formule gebruiken of de waarde uit één cel in verschillende formules gebruiken. U kunt ook naar cellen in andere werkbladen van dezelfde werkmap en naar andere werkmappen verwijzen. Verwijzingen naar cellen in andere werkmappen worden koppelingen of externe verwijzingen (externe verwijzing: een verwijzing naar een cel of een bereik op een blad in een andere Excel-werkmap of een verwijzing naar een gedefinieerde naam in een andere werkmap.) genoemd.

Het verwijzingstype A1

Het standaardverwijzingstype     Standaard wordt in Microsoft Excel het verwijzingstype A1 gebruikt. Hierbij worden kolommen aangeduid met letters (A tot en met XFD voor in totaal 16.384 kolommen) en rijen met nummers (1 tot en met 1.048.576). Deze letters en cijfers worden rij- en kolomkoppen genoemd. Als u naar een cel wilt verwijzen, voert u de kolomletter in gevolgd door het rijnummer. B2 verwijst bijvoorbeeld naar de cel op het snijpunt van kolom B en rij 2.

Als u wilt verwijzen naar Gebruikt u
De cel in kolom A en rij 10 A10
Het cellenbereik in de kolom A en de rijen 10 tot en met 20 A10:A20
Het cellenbereik in rij 15 en de kolommen B tot en met E B15:E15
Alle cellen in rij 5 05:05:00
Alle cellen in de rijen 5 tot en met 10 05:10:00
Alle cellen in kolom H H:H
Alle cellen in de kolommen H tot en met J H:J
Het cellenbereik in de kolommen A tot en met E en de rijen 10 tot en met 20 A10:E20

Een verwijzing naar een ander werkblad maken     In het volgende voorbeeld wordt met de werkbladfunctie GEMIDDELDE de gemiddelde waarde van het bereik B1:B10 op het werkblad Marketing in dezelfde werkmap berekend.


Voorbeeld van een bladverwijzing

Verwijzingen naar een celbereik op een ander werkblad in dezelfde werkmap
Toelichting 1 Verwijst naar het werkblad met de naam Marketing
Toelichting 2 Verwijst naar het celbereik B1 tot en met B10
Toelichting 3 Scheidt de verwijzing naar het werkblad van de verwijzing naar het celbereik

Het verschil tussen relatieve, absolute en gemengde verwijzingen

Relatieve verwijzingen        Een relatieve celverwijzing in een formule, zoals A1, is gebaseerd op de relatieve positie van de cel met de formule en de cel waarnaar wordt verwezen. Als de positie van de cel met de formule verandert, wordt de verwijzing gewijzigd. Als u de formule kopieert of doorvoert in rijen of kolommen, wordt de verwijzing automatisch aangepast. In nieuwe formules worden standaard relatieve verwijzingen gebruikt. Als u een relatieve verwijzing in cel B2 bijvoorbeeld kopieert of doorvoert naar cel B3, wordt deze automatisch aangepast van =A1 naar =A2.


Gekopieerde formule met relatieve verwijzing

Gekopieerde formule met relatieve verwijzing

Absolute verwijzingen        Een absolute celverwijzing in een formule, zoals $A$1, verwijst altijd naar een cel op een specifieke locatie. Als de positie van de cel met de formule verandert, blijft de absolute verwijzing hetzelfde. Als u de formule kopieert of doorvoert in rijen of kolommen, wordt de absolute verwijzing niet aangepast. Voor nieuwe formules worden standaard relatieve verwijzingen gebruikt en deze zult u dus moeten omzetten in absolute verwijzingen. Als u een absolute verwijzing in cel B2 bijvoorbeeld kopieert of doorvoert in cel B3, blijft deze in beide cellen gelijk, namelijk =$A$1.


Gekopieerde formule met absolute verwijzing

Gekopieerde formule met absolute verwijzing

Gemengde verwijzingen        Een gemengde verwijzing heeft ofwel een absolute kolom en een relatieve rij, ofwel een absolute rij en een relatieve kolom. Een absolute kolomverwijzing heeft de vorm $A1, $B1, enzovoort. Een absolute rijverwijzing heeft de vorm A$1, B$1, enzovoort. Als de positie van de cel met de formule verandert, wordt de relatieve verwijzing gewijzigd en de absolute verwijzing niet. Als u de formule kopieert of doorvoert in rijen of kolommen, wordt de relatieve verwijzing automatisch aangepast en de absolute verwijzing niet. Als u bijvoorbeeld een gemengde verwijzing van cel A2 kopieert of doorvoert in cel B3, wordt deze verwijzing aangepast van =A$1 naar =B$1.


Gekopieerde formule met gemengde verwijzing

Gekopieerde formule met gemengde verwijzing

Het verwijzingstype 3D

Snel verwijzingen maken naar meerdere werkbladen    Als u gegevens in dezelfde cel of hetzelfde cellenbereik in meerdere werkbladen van de werkmap wilt analyseren, gebruikt u een 3D-verwijzing. Een 3D-verwijzing bevat de cel of het cellenbereik, voorafgegaan door een bereik van werkbladnamen. Excel gebruikt alle werkbladnamen van de eerste tot en met de laatste naam in de verwijzing. Zo telt u met =SOM(Blad2:Blad13!B5) alle waarden op in cel B5 van alle werkbladen van Blad2 tot en met Blad13.

Wat gebeurt er als u werkbladen verplaatst, kopieert, invoegt of verwijdert     In de volgende voorbeelden wordt uitgelegd wat er gebeurt wanneer u werkbladen verplaatst, kopieert, invoegt of verwijdert die in een 3D-verwijzing voorkomen. In de voorbeelden worden met de formule =SOM(Blad2:Blad6!A2:A5) de waarden in de cellen A2 tot en met A5 op de werkbladen 2 tot en met 6 opgeteld.

  • Invoegen of kopiëren        Als u bladen tussen Blad2 en Blad6 (het begin- en eindpunt in dit voorbeeld) invoegt of kopieert, worden alle waarden in de cellen A2 tot en met A5 in de toegevoegde bladen in de berekening opgenomen.
  • Verwijderen        Als u bladen tussen Blad2 en Blad6 verwijdert, worden de waarden in die bladen niet meer in de berekening opgenomen.
  • Verplaatsen        Als u de bladen tussen Blad2 en Blad6 verplaatst naar een locatie buiten het bereik waarnaar wordt verwezen, worden de waarden niet meer in de berekening opgenomen.
  • Een eindpunt verplaatsen        Als u Blad2 of Blad6 naar een andere locatie in dezelfde werkmap verplaatst, wordt de berekening uitgevoerd op het nieuwe bereik.
  • Een eindpunt verwijderen        Als u blad2 of Blad6 verwijdert, wordt de berekening uitgevoerd op het nieuwe bereik.

Het verwijzingstype R1K1

U kunt ook een verwijzingstype hanteren waarbij zowel de rijen als de kolommen in het werkblad zijn genummerd. Het verwijzingstype R1K1 is handig voor het berekenen van rij- en kolomposities in macro's (macro: een actie of een reeks acties waarmee u taken automatisch kunt laten uitvoeren. Macro's kunt u opnemen in de programmeertaal Visual Basic for Applications.). Bij het verwijzingstype R1K1 wordt de locatie van een cel aangegeven met een 'R', gevolgd door het rijnummer en een 'K', gevolgd door het kolomnummer.

Verwijzing Functie
R[-2]K Een relatieve verwijzing (relatieve verwijzing: in een formule is dit een celadres waarin wordt verwezen naar cellen op basis van hun positie ten opzichte van de cel die de formule bevat. Als u de formule kopieert, wordt de verwijzing automatisch aangepast. Een relatieve verwijzing gebruikt de verwijzingsstijl A1.) naar de cel die zich twee rijen hoger in dezelfde kolom bevindt.
R[2]K[2] Een relatieve verwijzing naar de cel die zich twee rijen lager en twee kolommen naar rechts bevindt.
R2K2 Een absolute verwijzing (absolute celverwijzing: in een formule is dit het exacte adres van een cel, ongeacht de positie van de cel die de formule bevat. Een absolute celverwijzing gebruikt de verwijzingsstijl $A$1.) naar de cel die zich in de tweede rij en de tweede kolom bevindt.
R[-1] Een relatieve verwijzing naar de hele rij die zich boven de actieve cel bevindt.
R Een absolute verwijzing naar de huidige rij.

Wanneer u een macro opneemt, worden in Excel voor sommige opdrachten het verwijzingstype R1K1 gebruikt. Als u bijvoorbeeld een opdracht opneemt als klikken op de knop AutoSom om een formule in te voegen waarmee een cellenbereik wordt opgeteld, wordt de formule opgenomen met R1K1-verwijzingen en niet met A1-verwijzingen.

U kunt het R1K1-verwijzingstype in- of uitschakelen met het selectievakje Verwijzingstype R1K1 in de sectie Werken met formules in de categorie Formules van het dialoogvenster Opties voor Excel dat u opent met de Microsoft Office-knop Knopafbeelding.

Terug naar boven Terug naar boven

Namen in formules gebruiken

U kunt gedefinieerde namen (naam: een woord of tekenreeks waarmee een cel, bereik, formule of constante waarde wordt aangeduid. Gebruik betekenisvolle namen, zoals Producten, als u verwijst naar doorzichtige bereiken, zoals Omzet!C20:C30.) opgeven voor cellen, cellenbereiken, formules, constanten (constante: een waarde die niet is berekend en daarom niet verandert. Het getal 210 en de tekst 'Kwartaalcijfers' zijn bijvoorbeeld constanten. Een expressie of een waarde die het resultaat is van een expressie, is geen constante.) of Excel-tabellen. Een naam is een betekenisvolle afkorting waarmee het doel van een celverwijzing (celverwijzing: de coördinaten die een cel op een werkblad in beslag neemt. Zo is B3 de verwijzing naar de cel die zich op het snijpunt van kolom B en rij 3 bevindt.), constante (constante: een waarde die niet is berekend. Het getal 210 en de tekst 'Kwartaalcijfers' zijn bijvoorbeeld constanten. Een expressie of een waarde die het resultaat is van een expressie, is geen constante.), formule (formule: een opeenvolging van waarden, celverwijzingen, namen, functies of operatoren in een cel die samen een nieuwe waarde produceren. Een formule begint altijd met een gelijkteken (=).) of tabel (tabel: een verzameling gegevens over een bepaald onderwerp die in records (rijen) en velden (kolommen) zijn opgeslagen.) gemakkelijker te begrijpen is, terwijl deze in eerste instantie mogelijk moeilijk te begrijpen zijn. Hieronder ziet u gangbare voorbeelden van namen en de manier waarop ze de duidelijkheid en het begrip kunnen vergroten.

Type voorbeeld Voorbeeld zonder naam Voorbeeld met naam
Verwijzing SOM(C20:C30) =SOM(VerkoopEersteKwartaal)
Constante =PRODUCT(A5;19) =PRODUCT(Prijs,Btw)
Formule =SOM(VERT.ZOEKEN(A1;B1:F20;5;ONWAAR);G5) =SOM(Inventarisniveau;Orderbedrag)
Tabel C4:G36 =Topverkoop06

Soorten namen

U kunt verschillende soorten namen maken en gebruiken.

Gedefinieerde naam     Een naam die een cel, cellenbereik, formule, of constante waarde vertegenwoordigt. U kunt uw eigen gedefinieerde naam maken en Excel maakt soms een gedefinieerde naam voor u, zoals wanneer u een afdrukbereik instelt.

Tabelnaam     Een naam voor een Excel-tabel. Dit is een verzameling gegevens over een bepaald onderwerp die wordt opgeslagen in records (rijen) en velden (kolommen). Excel maakt de standaard Excel-tabelnaam "Tabel1", "Tabel2" enzovoort, telkens wanneer u een Excel-tabel invoegt, maar u kunt de naam wijzigen, zodat deze betekenisvoller is. Zie Gestructureerde verwijzingen in combinatie met Excel-tabellen gebruiken voor meer informatie over Excel-tabellen.

Namen maken en invoeren

U kunt als volgt een naam maken:

  • Naamvak op de formulebalk     U kunt deze methode het beste gebruiken om een naam op werkmapniveau te maken voor een geselecteerd bereik.
  • Naam maken van selectie    U kunt namen maken van bestaande rij- en kolomlabels door geselecteerde cellen in het werkblad te gebruiken.
  • Dialoogvenster Nieuwe naam     U kunt deze methode het beste gebruiken wanneer u meer flexibiliteit wilt bij het maken van namen, zoals wanneer u het bereik voor een lokaal werkblad opgeeft of een naam voor een opmerking maakt.

 Opmerking   In namen worden standaard absolute celverwijzingen (absolute celverwijzing: in een formule is dit het exacte adres van een cel, ongeacht de positie van de cel die de formule bevat. Een absolute celverwijzing gebruikt de verwijzingsstijl $A$1.) gebruikt.

U kunt als volgt een naam invoeren:

  • Typen     Typ de naam, bijvoorbeeld als een argument voor een formule.
  • Formule automatisch aanvullen     Gebruik de vervolgkeuzelijst Formule automatisch aanvullen, waarin automatisch geldige namen worden vermeld.
  • Selecteren via de opdracht Gebruiken in formule    Selecteer een gedefinieerde naam in de lijst die beschikbaar is via de opdracht Gebruiken in formule in de groep Gedefinieerde namen op het tabblad Formule.

Zie Namen gebruiken om formules te verduidelijken voor meer informatie.

Terug naar boven Terug naar boven

Matrixformules en matrixconstanten gebruiken

Een matrixformule kan meerdere berekeningen uitvoeren en ofwel een enkel resultaat ofwel meerdere resultaten berekenen. Matrixformules werken met twee of meer reeksen waarden, matrixargumenten genoemd. Elk matrixargument moet hetzelfde aantal rijen en kolommen hebben. U maakt matrixformules op dezelfde wijze als andere formules, behalve dat u op Ctrl+Shift+ENTER moet drukken om de formule in te voeren. Sommige ingebouwde functies zijn matrixformules. U moet deze als matrices invoeren om de juiste resultaten te krijgen.

U kunt matrixconstanten gebruiken in plaats van verwijzingen als u niet elke constante waarde in een aparte cel op het werkblad wilt invoeren.

Een matrixformule gebruiken om enkele of meerdere resultaten te berekenen

Wanneer u een matrixformule (matrixformule: een formule waarmee meerdere bewerkingen op een of meer waardensets worden uitgevoerd en die een of meerdere resultaten oplevert. Matrixformules worden ingevoerd tussen accolades { } en uitgevoerd met CTRL+SHIFT+ENTER.) opgeeft, wordt de formule automatisch tussen { } (accolades) geplaatst.

Een enkel resultaat berekenen        Met dit type matrixformule kunt u een werkbladmodel vereenvoudigen door een aantal verschillende formules te vervangen door één matrixformule.

De volgende matrixformule berekent bijvoorbeeld de waarde van een pakket aandelen zonder dat u een rij cellen hoeft te gebruiken om de individuele waarden van elk aandeel te berekenen.


Matrixformule die een enkel resultaat oplevert

Matrixformule die een enkel resultaat oplevert

Wanneer u de formule ={SOM(B2:D2*B3:D3)} opgeeft als een matrixformule, worden de waarden voor Aandelen en Prijs voor elk certificaat vermenigvuldigd en worden de resultaten van die berekeningen opgeteld.

Meerdere resultaten berekenen        Sommige werkbladfuncties geven waardenmatrices als resultaat of moeten een matrix van waarden als argument hebben. Als u meerdere resultaten wilt berekenen met een matrixformule, moet u de matrix invoeren in een cellenbereik dat hetzelfde aantal rijen en kolommen heeft als de matrixargumenten.

Bij een reeks van drie verkoopcijfers (in kolom B) voor een reeks van drie maanden (in kolom A) bepaalt de functie TREND de lineaire waarden voor de verkoopcijfers. Alle resultaten van de formule worden in drie cellen in kolom C weergegeven (C1:C3).


Matrixformule die meerdere resultaten oplevert

Matrixformule die meerdere resultaten oplevert

Wanneer u de formule =TREND(B1:B3;A1:A3) opgeeft als een matrixformule, levert deze drie afzonderlijke resultaten op (22196, 17079 en 11962) op basis van de drie verkoopcijfers en de drie maanden.

Matrixconstanten gebruiken

In een gewone formule kunt u een verwijzing invoeren naar een cel met een waarde, of naar de waarde zelf, ook wel een constante (constante: een waarde die niet is berekend en daarom niet verandert. Het getal 210 en de tekst 'Kwartaalcijfers' zijn bijvoorbeeld constanten. Een expressie of een waarde die het resultaat is van een expressie, is geen constante.) genoemd. Zo kunt u in een matrixformule een verwijzing invoeren naar een matrix, of u kunt de matrix met waarden in de cellen invoeren (ook wel een matrixconstante genoemd). Matrixformules verwerken constanten op dezelfde manier als gewone formules, maar u moet de matrixconstanten in een bepaalde notatie invoeren.

Matrixconstanten kunnen getallen, tekst, logische waarden (WAAR of ONWAAR) of foutwaarden (bijvoorbeeld #N/B) bevatten. Eén matrixconstante kan verschillende typen waarden bevatten, bijvoorbeeld {1,3,4;WAAR,ONWAAR,WAAR}. Getallen in matrixconstanten kunnen gehele getallen zijn, decimale getallen of getallen in de wetenschappelijke notatie. Tekst moet tussen dubbele aanhalingstekens worden geplaatst, bijvoorbeeld "dinsdag".

Matrixconstanten mogen geen celverwijzingen, kolommen of rijen van ongelijke lengte, formules of de speciale tekens $ (dollarteken), () (ronde haken) of % (procentteken) bevatten.

Als u matrixconstanten wijzigt, moet u rekening houden met het volgende:

  • Plaats de matrixconstanten tussen accolades ( { } ).
  • Plaats een komma (,) tussen de waarden in verschillende kolommen. Als u bijvoorbeeld de waarden 10, 20, 30 en 40 wilt weergeven, typt u {10,20,30,40}. Een dergelijke matrixconstante wordt een 1-bij-4-matrix genoemd en is hetzelfde als een verwijzing naar 1 rij met vier kolommen.
  • Plaats een puntkomma's (;) tussen waarden in verschillende rijen. Als u de waarden 10, 20, 30, 40 in één rij wilt weergeven en de waarden 50, 60, 70, 80 in de rij eronder, voert u de 2-bij-4-matrixconstante {10,20,30,40;50,60,70,80} in.

Terug naar boven Terug naar boven

 
 
Van toepassing op:
Excel 2007