Kennismaking met tabellen

Wanneer u een database gebruikt, slaat u uw gegevens op in tabellen. Dit zijn lijsten die betrekking hebben op een bepaald onderwerp en gegevens bevatten die in records zijn onderverdeeld. U kunt bijvoorbeeld een tabel Contactpersonen maken waarin u een lijst met namen, adressen en telefoonnummers opslaat.

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van tabellen in Microsoft Access 2010 en wordt beschreven welke tabelfuncties nieuw zijn en welke tabelfuncties zijn verwijderd. In dit artikel wordt ook uitgelegd hoe u een tabel maakt, hoe u velden aan een tabel toevoegt, hoe u de primaire sleutel (primaire sleutel: een of meer velden (kolommen) waarvan de waarden elke record in de tabel uniek identificeren. Een primaire sleutel kan geen Null-waarden bevatten en heeft altijd een unieke index. Met een primaire sleutel relateert u een tabel aan refererende sleutels in andere tabellen.) van een tabel instelt en hoe u veld- en tabeleigenschappen instelt.

Als u een database ontwerpt, moet u eerst alle tabellen plannen en bepalen hoe deze tabellen onderling met elkaar moeten worden verbonden. Ga voordat u de tabellen maakt eerst zorgvuldig na wat uw wensen zijn en welke tabellen u allemaal nodig hebt. Raadpleeg het artikel Beginselen van databaseontwerp en klik op de koppelingen in de sectie Zie ook voor een inleiding tot het plannen en ontwerpen van een database.

 Opmerking   De ontwerpweergave is niet beschikbaar voor webtabellen. In plaats daarvan kunt u de ontwerpfuncties gebruiken die nu zijn opgenomen in de gegevensbladweergave. Zie het artikel Databases maken om via het web te delen voor meer informatie over het ontwerp van een webdatabase.

In dit artikel


Overzicht

Een tabel is een databaseobject waarmee u gegevens kunt opslaan die betrekking hebben op een bepaald onderwerp, zoals werknemers of producten. Een tabel bestaat uit records en velden.

Elke record bevat de gegevens van één persoon of item in de tabel, zoals een individuele werknemer of een bepaald product. Een record wordt ook wel een rij of exemplaar genoemd.

Elk veld bevat een stukje informatie dat betrekking heeft op één aspect van een persoon of item in de tabel, zoals de voornaam of het e-mailadres van een werknemer of de prijs van een product. Een veld wordt ook wel een kolom of kenmerk genoemd.

Een record bestaat uit veldwaarden, zoals Contoso, Ltd. of iemand@voorbeeld.com. Een veldwaarde wordt gewoonlijk een feit genoemd.

Tabel Klanten met de indeling van records en velden

Toelichting 1 Een record
Toelichting 2 Een veld
Toelichting 3 Een veldwaarde

Een database kan een groot aantal tabellen bevatten, elk met informatie over een ander onderwerp. Elke tabel kan een groot aantal velden met verschillende gegevenstypen bevatten, zoals tekst, getallen, datums en afbeeldingen.

Externe gegevens

U kunt een koppeling tot stand brengen met allerlei externe gegevensbronnen, zoals andere databases, tekstbestanden en Excel-werkmappen. Wanneer u een koppeling tot stand brengt met externe gegevens, kan de koppeling in Access worden gebruikt alsof deze een tabel is. Afhankelijk van de externe gegevensbron en de manier waarop u de koppeling tot stand brengt, kunt u de gegevens in de gekoppelde tabel bewerken en relaties maken waarin de gekoppelde tabel is opgenomen. U kunt echter niet het ontwerp van de externe gegevensbron wijzigen via de koppeling.

Tabel- en veldeigenschappen

Tabellen en velden hebben eigenschappen die u kunt instellen om hun kenmerken en gedrag te bepalen.

Venster met tabel- en veldeigenschappen

Een tabel die is geopend in de ontwerpweergave
Toelichting 1 Tabeleigenschappen
Toelichting 2 Veldeigenschappen

In een Access-database zijn de tabeleigenschappen de kenmerken van een tabel die het uiterlijk en gedrag van de tabel als geheel bepalen. Tabeleigenschappen kunnen worden ingesteld in het eigenschappenvenster van de tabel in de ontwerpweergave. U kunt bijvoorbeeld de eigenschap Standaardweergave van een tabel instellen om op te geven hoe de tabel standaard moet worden weergegeven.

Een veldeigenschap heeft betrekking op een bepaald veld in een tabel en bepaalt een van de kenmerken van het veld of een aspect van het gedrag van een veld. U kunt enkele veldeigenschappen instellen in de gegevensbladweergave (gegevensbladweergave: een weergave waarin gegevens uit een tabel, formulier, query, weergave of opgeslagen procedure worden weergegeven in rij- en kolomindeling. In de gegevensbladweergave kunt u velden bewerken en gegevens toevoegen, verwijderen en zoeken.). U kunt alle veldeigenschappen instellen in de ontwerpweergave in het deelvenster Veldeigenschappen.

Gegevenstypen

Elk veld heeft een gegevenstype. Het gegevenstype van een veld geeft aan welk soort gegevens in het veld is of kunnen worden opgeslagen, zoals grote hoeveelheden tekst of bijgevoegde bestanden.

Instelling van gegevenstype

Een gegevenstype is een veldeigenschap, maar verschilt in de volgende opzichten van andere veldeigenschappen:

  • U stelt het gegevenstype van een veld in in het tabelontwerpraster en niet in het deelvenster Veldeigenschappen.
  • Het gegevenstype van een veld bepaalt welke andere eigenschappen een veld heeft.
  • U moet het gegevenstype van een veld instellen wanneer u het veld maakt.

 Opmerking   U kunt in Access een nieuw veld maken door gegevens in te voeren in een nieuwe kolom van de gegevensbladweergave. Wanneer u een veld maakt door gegevens in te voeren in de gegevensbladweergave, wordt automatisch een gegevenstype toegewezen aan het veld op basis van de ingevoerde waarde. Als er geen ander gegevenstype wordt geïmpliceerd door uw invoer, wordt dit in Access ingesteld op Tekst. U kunt het gegevenstype zo nodig wijzigen via het lint, dat deel uitmaakt van de nieuwe Microsoft Office Fluent-gebruikersinterface.

WeergevenVoorbeelden van automatische detectie van gegevenstypen

In de onderstaande tabel ziet u hoe gegevenstypen automatisch worden gedetecteerd in de gegevensbladweergave.

Als u het volgende opgeeft: Wordt er in Office Access 2007 een veld gemaakt met het gegevenstype:
Jan Tekst

http://www.contoso.com

U kunt elk geldig voorvoegsel voor internetprotocollen gebruiken. http://, https:// en mailto: zijn voorbeelden van geldige voorvoegsels.

Hyperlink
1 Numeriek, Lange integer
50.000 Numeriek, Lange integer
50.000,99 Numeriek, Dubbel
50000,389 Numeriek, Dubbel

12/67

De herkende datum- en tijdnotatie zijn die van uw landinstelling.

Datum/tijd
31 december 2006 Datum/tijd
10:50:23 Datum/tijd
10:50 Datum/tijd
17:50 Datum/tijd

€ 12,50

Het herkende valutasymbool is dat van uw landinstelling.

Valuta
21,75 Numeriek, Dubbel
123,00% Numeriek, Dubbel
3,46E+03 Numeriek, Dubbel

Tabelrelaties

Hoewel in elke tabel gegevens over een ander onderwerp zijn opgeslagen, bevatten tabellen in een database vaak gegevens over onderwerpen die aan elkaar verwant zijn. Een database kan bijvoorbeeld de volgende gegevens bevatten:

  • Een tabel met de klanten van uw bedrijf en hun adres.
  • Een catalogus met producten die u verkoopt, met prijzen en afbeeldingen van elk product.
  • Een tabel waarin de bestellingen van klanten worden bijgehouden.

Omdat u gegevens over verschillende onderwerpen in afzonderlijke tabellen opslaat, hebt u een manier nodig om de gegevens met elkaar te verbinden, zodat u verwante gegevens uit twee afzonderlijke tabellen gemakkelijk kunt combineren. U kunt gegevens in verschillende tabellen met elkaar verbinden door relaties te maken. Een relatie is een logische verbinding tussen twee tabellen waarmee wordt gedefinieerd welke velden beide tabellen gemeen hebben.

Sleutels

Velden die deel uitmaken van een tabelrelatie, worden sleutels genoemd. Een sleutel bestaat gewoonlijk uit één veld, maar kan ook bestaan uit meer dan één veld. Er zijn twee soorten sleutels:

  • Primaire sleutel    Een tabel kan maar één primaire sleutel bevatten. Een primaire sleutel bestaat uit een of meer velden waarmee elke record in de tabel uniek wordt aangeduid. Vaak dient een uniek nummer, zoals een id, serienummer of code, als primaire sleutel. U kunt bijvoorbeeld een tabel Klanten gebruiken waarin elke klant een uniek klantnummer heeft. Het veld Klantnummer is in dat geval de primaire sleutel van de tabel Klanten. Wanneer een primaire sleutel meer dan één veld bevat, is deze gewoonlijk samengesteld uit reeds bestaande velden die samen de gewenste unieke waarden bieden. U kunt bijvoorbeeld een combinatie van een achternaam, voornaam en geboortedatum gebruiken als primaire sleutel voor een tabel met gegevens van personen.
  • Externe sleutel    Een tabel kan ook een of meer externe sleutels bevatten. Een externe sleutel bevat waarden die corresponderen met waarden in de primaire sleutel van een andere tabel. U kunt bijvoorbeeld een tabel Bestellingen gebruiken waarin elke bestelling een klantnummer heeft dat correspondeert met een record in de tabel Klanten. Het veld Klantnummer is een externe sleutel van de tabel Bestellingen.

Corresponderende waarden in verschillende sleutelvelden vormen de basis van een tabelrelatie. U kunt een tabelrelatie gebruiken om gegevens uit verwante tabellen te combineren. Stel dat u een tabel Klanten en een tabel Bestellingen hebt. In de tabel Klanten wordt de unieke aanduiding van elke record gevormd door het primaire-sleutelveld Klantnummer.

Als u elke bestelling aan een klant wilt koppelen, voegt u aan de tabel Bestellingen een externe-sleutelveld toe dat correspondeert met het veld Klantnummer van de tabel Klanten. Vervolgens maakt u een relatie tussen beide sleutels. Wanneer u een bestelling toevoegt aan de tabel Bestellingen, gebruikt u een waarde voor het klantnummer die afkomstig is uit de tabel Klanten. Telkens wanneer u informatie wilt bekijken over de klant die een bepaalde bestelling heeft geplaatst, gebruikt u de relatie om na te gaan welke gegevens uit de tabel Klanten corresponderen met welke records in de tabel Bestellingen.

Een tabelrelatie die in het venster Relaties wordt weergegeven

Een tabelrelatie die in het venster Relaties wordt weergegeven.
Toelichting 1 Een primaire sleutel, die u kunt herkennen aan het sleutelpictogram naast de veldnaam.
Toelichting 2 Een externe sleutel: deze heeft geen sleutelpictogram.

Voordelen van het gebruik van relaties

Het biedt de volgende voordelen als u gegevens bewaart in tabellen die met elkaar zijn verbonden:

  • Consistentie    Omdat elk gegevensitem slechts eenmaal wordt vastgelegd in één tabel, is er minder kans op dubbele of inconsistente gegevens. U hoeft bijvoorbeeld de naam van een klant slechts eenmaal op te slaan in de tabel Klanten en dus niet steeds opnieuw te typen (met kans op vergissingen) in een tabel met bestelgegevens.
  • Efficiëntie    Omdat u gegevens op slechts één plaats opslaat, hebt u minder schijfruimte nodig. Bovendien kunt u gewoonlijk sneller gegevens ophalen uit kleinere tabellen (met minder gegevens) dan uit grote tabellen. Tot slot geldt dat er veel null-waarden (afwezigheid van gegevens) en overbodige gegevens in uw tabellen terechtkomen wanneer u geen afzonderlijke tabellen voor afzonderlijke onderwerpen gebruikt. Deze waarden nemen veel schijfruimte in beslag en hebben een nadelige invloed op de prestaties van uw database.
  • Begrijpelijkheid    Het ontwerp van een database is overzichtelijker als de onderwerpen op de juiste manier van elkaar zijn gescheiden in afzonderlijke tabellen.

 Tip   Plan uw tabellen met relaties in gedachten. U kunt de wizard Opzoeken gebruiken om een externe-sleutelveld te maken als de tabel met de corresponderende primaire sleutel al bestaat. De wizard Opzoeken maakt de relatie voor u.

Terug naar boven Terug naar boven

Tabelspecificaties

In Access 2010 gelden voor een tabel de volgende praktische limieten:

Kenmerk Maximum
Aantal tekens in een tabelnaam 64
Aantal tekens in een veldnaam 64
Aantal velden in een een tabel 255
Aantal geopende tabellen 2048; voor deze limiet worden ook de tabellen meegerekend die intern in Access zijn geopend
Tabelgrootte 2 gigabyte, minus de benodigde ruimte voor de systeemobjecten
Aantal tekens in een tekstveld 255
Aantal tekens in een memoveld 65.535 wanneer u gegevens invoert via de gebruikersinterface;
2 gigabyte aan tekens wanneer deze gegevens via programmering worden ingevoerd
Grootte van een OLE-objectveld 1 gigabyte
Aantal indexen in een tabel 32
Aantal velden in een index 10
Aantal tekens in een validatiebericht 255
Aantal tekens in een validatieregel 2.048
Aantal tekens in een tabel- of veldbeschrijving 255
Aantal tekens in een record (met uitzondering van memovelden en OLE-objectvelden) wanneer de eigenschap UnicodeCompression is ingesteld op Ja 4.000
Aantel tekens in een instelling van een veldeigenschap 255

Terug naar boven Terug naar boven

Nieuwe functies

Verschillen met Access 2007

In Access 2010 maakt u een tabel vrijwel precies hetzelfde als in Access 2007. Access 2010 bevat echter een paar nieuwe functies voor tabellen:

  • Gegevensmacro's    U kunt nu macro's koppelen aan gebeurtenissen in tabellen zodat u bepaalde acties kunt uitvoeren wanneer er een record wordt gewijzigd, ingevoegd of verwijderd. Deze macro's kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt om gegevens te valideren of berekeningen uit te voeren.
  • Gegevenstype Berekend    Met dit nieuwe gegevenstype kunt u een veld maken dat is gebaseerd op een berekening van andere velden in dezelfde tabel. U kunt bijvoorbeeld een veld Regeltotaal maken dat het product van een veld Aantal en een veld Eenheidsprijs bevat. Als u vervolgens het veld Aantal of Eenheidsprijs bijwerkt, wordt het veld Regeltotaal ook automatisch bijgewerkt.
  • Connectiviteit voor webservices    U kunt voortaan niet alleen verbinding maken met externe gegevensbronnen, zoals Excel-werkmappen en SharePoint-lijsten, maar ook met gegevens op websites die een webservice-interface bieden. U kunt bijvoorbeeld een koppeling tot stand brengen met gegevens op de website van een groothandel die online zakendoet, en vervolgens uw eigen toepassing maken voor het weergeven van producten of het starten van bestellingen.
  • Tabel- en veldsjablonen zijn vervangen door modellen    In Access 2007 zijn tabel- en veldsjablonen geïntroduceerd. Tabelsjablonen waren lege tabellen waarmee u nieuwe tabellen kon maken die compatibel waren met de volgende ingebouwde SharePoint-lijsten:
    • Contactpersonen
    • Taken
    • Actie-items
    • Gebeurtenissen
    • Activa

In Access 2010 gebruikt u modellen wanneer u vooraf gebouwde onderdelen aan uw database wilt toevoegen. Modellen kunnen tabellen zijn, maar ook andere soorten databaseobjecten, zoals query's en formulieren.

 Opmerking   In dit onderwerp worden modellen niet uitgelegd. Raadpleeg de sectie Zie ook voor meer informatie.

Verschillen met Access 2003

  • Modellen vervangen de wizard Tabel    In eerdere versies dan Access 2007 kon u met de wizard Tabel snel een tabel maken door enkele vragen te beantwoorden. In Access 2007 is de wizard Tabel vervangen door tabel- en veldsjablonen. In Access 2010 zijn deze tabel- en veldsjablonen vervangen door modellen.

 Opmerking   In dit onderwerp worden modellen niet uitgelegd. Raadpleeg de sectie Zie ook voor meer informatie.

  • Gegevensbladen maken    U kunt voortaan in de gegevensbladweergave tabellen en velden maken en wijzigen.

Terug naar boven Terug naar boven

Een nieuwe tabel maken

Maak een nieuwe tabel als u een nieuwe gegevensbron hebt die niet behoort tot een van de bestaande tabellen.

U kunt een tabel maken door een nieuwe database te maken, door een tabel in een bestaande database in te voegen, door een tabel te importeren uit een andere gegevensbron of door een koppeling te maken naar een tabel uit een andere gegevensbron. Deze andere gegevensbron kan bijvoorbeeld een Microsoft Office Excel-werkmap, een Microsoft Office Word-document, een tekstbestand, een webservice of een andere database zijn. Wanneer u een nieuwe, lege database maakt, wordt automatisch een nieuwe, lege tabel ingevoegd. U kunt vervolgens gegevens in de tabel invoeren om te beginnen met het definiëren van velden.

Wat wilt u doen?


Een nieuwe tabel maken in een nieuwe database

  1. Klik op het tabblad Bestand op Nieuw en klik op Lege database.
  2. Typ in het vak Bestandsnaam een bestandsnaam voor de nieuwe database.
  3. Klik op het mappictogram als u de database op een andere locatie wilt opslaan.
  4. Klik op Maken.

De nieuwe database wordt geopend en er wordt een nieuwe tabel met de naam Tabel1 gemaakt en in de gegevensbladweergave geopend.

Een nieuwe tabel maken in een bestaande database

  1. Klik op het tabblad Bestand, wijs Openen aan en voer een van de volgende handelingen uit:
    • Als de gewenste database onder Recente databases wordt weergegeven, klikt u op de database in die lijst.

- of -

  • Klik onder Document openen op de gewenste optie als de database niet onder Recente databases wordt weergegeven.
  1. Selecteer in het dialoogvenster Openen de database die u wilt openen en klik op Openen.
  2. Klik op het tabblad Maken in de groep Tabellen op Tabel.

Er wordt een nieuwe tabel in de database ingevoegd en de tabel wordt in de gegevensbladweergave geopend.

Terug naar boven Terug naar boven

Een tabel maken door gegevens te importeren of te koppelen

U kunt een tabel maken door elders opgeslagen gegevens te importeren of een koppeling naar deze gegevens te maken. U kunt gegevens importeren of een koppeling maken naar gegevens in bijvoorbeeld een Excel-werkblad, een Windows SharePoint Services-lijst, een XML-bestand, een andere Access-database of een Microsoft Office Outlook-map.

Wanneer u gegevens importeert, maakt u een kopie van de gegevens in een nieuwe tabel van de huidige database. Verdere wijzigingen van de brongegevens hebben geen invloed op de geïmporteerde gegevens, en wijzigingen in de geïmporteerde gegevens hebben geen invloed op de brongegevens. Nadat u verbinding hebt gemaakt met een gegevensbron en u de gegevens daaruit hebt geïmporteerd, kunt u de geïmporteerde gegevens gebruiken zonder dat u verbinding hoeft te maken met de bron. U kunt het ontwerp van een geïmporteerde tabel wijzigen.

Wanneer u een koppeling naar gegevens maakt, maakt u een gekoppelde tabel in de huidige database. Deze tabel vertegenwoordigt een livekoppeling naar de bestaande gegevens die op een andere plaats zijn opgeslagen. Wanneer u gegevens in een gekoppelde tabel wijzigt, wijzigt u deze gegevens in de bron. Telkens wanneer gegevens veranderen in de bron, wordt deze wijziging weergegeven in de gekoppelde tabel. Telkens wanneer u een gekoppelde tabel gebruikt, moet u verbinding hebben met de gegevensbron. U kunt het ontwerp van een gekoppelde tabel niet wijzigen.

 Opmerking   U kunt gegevens op een Excel-werkblad niet bewerken via een gekoppelde tabel. U kunt dit probleem omzeilen door de brongegevens in een Access-database te importeren en vervolgens vanuit Excel een koppeling naar deze database te maken. Raadpleeg de Help van Excel of klik op de koppelingen in de sectie Zie ook voor meer informatie over het maken van een koppeling met Access vanuit Excel.

Een nieuwe tabel maken door externe gegevens te importeren of te koppelen

  1. Klik op het tabblad Externe gegevens in de groep Importeren en koppelen op een van de beschikbare gegevensbronnen.
  2. Volg de aanwijzingen in de dialoogvensters die bij elke stap worden weergegeven.

In Access wordt de nieuwe tabel gemaakt en weergegeven in het navigatiedeelvenster.

 Tip   U kunt ook gegevens importeren uit of een koppeling maken naar een SharePoint-lijst met een opdracht op het tabblad Maken.

Terug naar boven Terug naar boven

Een SharePoint-site gebruiken om een tabel te maken

U kunt een tabel in de database maken waarin u gegevens importeert uit of een koppeling maakt naar een SharePoint-lijst. U kunt ook een nieuwe SharePoint-lijst maken met een vooraf gedefinieerde sjabloon. Tot de vooraf gedefinieerde sjablonen in Access 2010 behoren onder andere de sjablonen Contactpersonen, Taken, Actie-items en Gebeurtenissen.

  1. Klik op het tabblad Maken, in de groep Tabellen, op SharePoint-lijsten.
  1. Voer een van de volgende handelingen uit:
  1. Klik op Contactpersonen, Taken, Actie-items of Gebeurtenissen.
  1. Typ in het dialoogvenster Nieuwe lijst maken de URL voor de SharePoint-site waar u de lijst wilt maken.
  1. Geef een naam en een beschrijving voor de nieuwe lijst op in de vakken Geef de naam op van de nieuwe lijst en Beschrijving.
  1. Als u de gekoppelde tabel wilt openen nadat deze is gemaakt, schakelt u het selectievakje De lijst openen na voltooiing in (is standaard ingeschakeld).

  1. Klik op Aangepast.
  1. Typ in het dialoogvenster Nieuwe lijst maken de URL voor de SharePoint-site waar u de lijst wilt maken.
  1. Geef een naam en een beschrijving voor de nieuwe lijst op in de vakken Geef de naam op van de nieuwe lijst en Beschrijving.
  1. Als u de gekoppelde tabel wilt openen nadat deze is gemaakt, schakelt u het selectievakje De lijst openen na voltooiing in (is standaard ingeschakeld).

  1. Klik op Bestaande SharePoint-lijst.
  2. Typ in het dialoogvenster Externe gegevens ophalen de URL voor de SharePoint-site met de gegevens die u wilt importeren.
  3. Klik op De brongegevens importeren in een nieuwe tabel in de huidige database en klik vervolgens op Volgende.
  4. Schakel het selectievakje in naast elke SharePoint-lijst die u wilt importeren.

  1. Klik op Bestaande SharePoint-lijst.
  2. Typ in het dialoogvenster Externe gegevens ophalen - SharePoint-site de URL voor de SharePoint-site met de lijst waarnaar u een koppeling wilt maken.
  3. Klik op Koppelen aan de gegevensbron door een gekoppelde tabel te maken en klik op Volgende.
  4. Schakel het selectievakje in naast elke SharePoint-lijst waarnaar u een koppeling wilt maken.

Terug naar boven Terug naar boven

Een tabel maken via een webservice

U kunt in uw database een tabel maken die is verbonden met gegevens op een website die een webservice-interface biedt.

 Opmerking   Webservicetabellen hebben allemaal het kenmerk Alleen-lezen.

  1. Klik op het tabblad Externe gegevens in de groep Importeren en koppelen op Meer en klik vervolgens op Gegevensservices.
  2. Ga naar stap 5 als de gewenste verbinding al tot stand is gebracht. Ga door met de volgende stap als dit niet het geval is.
  3. Klik op Nieuwe verbinding installeren.
  4. Selecteer het gewenste verbindingsbestand en klik op OK.
  5. Vouw in het dialoogvenster Koppeling maken naar gegevensverbinding voor webservices de verbinding uit die u wilt gebruiken.
  6. Selecteer de tabel waarmee u een koppeling tot stand wilt brengen.

De velden worden rechts in het dialoogvenster weergegeven.

  1. Geef desgewenst in het vak Naam van koppeling opgeven een naam voor de gekoppelde tabel op. Deze naam van de gekoppelde tabel wordt gebruikt in het navigatiedeelvenster.
  2. Klik op OK.

De gekoppelde tabel wordt gemaakt.

Terug naar boven Terug naar boven

De primaire sleutel van een tabel instellen

Als u een primaire sleutel instelt voor een tabel, biedt dit de volgende voordelen:

  • Er wordt automatisch een index gemaakt voor de primaire sleutel, waardoor de database mogelijk sneller werkt.
  • Automatisch wordt ervoor gezorgd dat het primaire-sleutelveld van elke record een waarde bevat.
  • Automatisch wordt ervoor gezorgd dat elke waarde in het primaire-sleutelveld uniek is. Unieke waarden zijn van essentieel belang omdat er anders geen mogelijkheid is om op betrouwbare manier een bepaalde record van de andere records te onderscheiden.

Wanneer u een nieuwe tabel maakt in de gegevensbladweergave, wordt automatisch een primaire sleutel gemaakt waaraan een veldnaam of id en het gegevenstype AutoNummering wordt toegewezen.

In de ontwerpweergave kunt u de primaire sleutel wijzigen of verwijderen of een primaire sleutel instellen voor een tabel die nog geen primaire sleutel heeft.

Bepalen welke velden moeten worden gebruikt als primaire sleutel

Het kan voorkomen dat u al over gegevens beschikt die u als primaire sleutel wilt gebruiken. U kunt bijvoorbeeld al een lijst met bestaande id's hebben voor uw werknemers. Als u een tabel maakt om informatie over uw werknemers bij te houden, kunt u besluiten om de bestaande werknemers-id's te gebruiken als primaire sleutel voor de tabel. Het is ook mogelijk dat de werknemers-id alleen uniek is in combinatie met de afdelings-id, waardoor u gedwongen bent beide velden samen als primaire id te gebruiken. Een veld of combinatie van velden is geschikt als primaire sleutel als er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • Elke record heeft een unieke waarde voor het veld of de combinatie van velden.
  • Het veld of de combinatie van velden is nooit leeg of null en bevat dus altijd een waarde.
  • De waarden veranderen niet.

Als er geen geschikte gegevens voorhanden zijn voor gebruik als primaire sleutel, kunt u een nieuw veld maken dat u als primaire sleutel kunt gebruiken. Wanneer u een nieuw veld maakt voor gebruik als primaire sleutel, moet u het gegevenstype van het veld instellen op AutoNummering om er zeker van te zijn dat het veld voldoet aan de drie voorwaarden die in de vorige lijst zijn beschreven.

Primaire sleutels instellen of wijzigen

  1. Selecteer de tabel waarvan u de primaire sleutel wilt instellen of wijzigen.
  2. Klik op het tabblad Start in de groep Weergaven op Weergave en klik op Ontwerpweergave.
  3. Selecteer in het tabelontwerpraster een of meer velden die u wilt gebruiken als primaire sleutel.

Klik op de rijkiezer (rijkiezer: een klein vakje of balkje waarop u klikt om een gehele rij te selecteren in de ontwerpweergave van de tabel of de macro, of in de ontwerpweergave van rapporten terwijl u records sorteert en groepeert.) voor het gewenste veld als u één veld wilt selecteren.

Houd Ctrl ingedrukt en klik op de rijkiezer voor elk veld als u meer dan een veld wilt selecteren.

  1. Klik op Primaire sleutel in de groep Hulpmiddelen op het tabblad Ontwerp.

De groep Hulpmiddelen op het tabblad Ontwerp

Er wordt een sleutelindicator weergegeven links van de velden die u als primaire sleutel opgeeft.

De primaire sleutel verwijderen

  1. Selecteer de tabel waarvan u de primaire sleutel wilt verwijderen.
  2. Klik op het tabblad Start in de groep Weergaven op Weergave en klik op Ontwerpweergave.
  3. Klik op de rijkiezer (rijkiezer: een klein vakje of balkje waarop u klikt om een gehele rij te selecteren in de ontwerpweergave van de tabel of de macro, of in de ontwerpweergave van rapporten terwijl u records sorteert en groepeert.) van de huidige primaire sleutel. Houd Ctrl ingedrukt en klik op de rijkiezer voor elk veld als u de primaire sleutel uit meerdere velden bestaat.
  4. Klik op het tabblad Ontwerp in de groep Hulpmiddelen op Primaire sleutel.

Groep Hulpmiddelen op het tabblad Ontwerp

De sleutelindicator wordt verwijderd uit de velden die u eerder hebt opgegeven als primaire sleutel.

 Opmerking   Als u een nieuwe tabel opslaat zonder een primaire sleutel in te stellen, wordt u gevraagd een nieuw veld voor de primaire sleutel te maken. Als u op Ja klikt, wordt het veld Id met het gegevenstype AutoNummering gemaakt, dat een unieke waarde voor elke record levert. Als de tabel al een veld van het type AutoNummering bevat, wordt dit als primaire sleutel gebruikt. Als u op Nee klikt, wordt er geen veld toegevoegd en geen primaire sleutel ingesteld.

Terug naar boven Terug naar boven

De eigenschappen van een tabel instellen

U kunt eigenschappen instellen voor een volledige tabel of voor volledige records.

  1. Selecteer de tabel waarvan u de eigenschappen wilt instellen.
  2. Klik op het tabblad Start in de groep Weergaven op Weergave en klik op Ontwerpweergave.
  3. Klik op het tabblad Ontwerpen, in de groep Weergeven/verbergen, op Eigenschappenvenster.

Groep Weergeven/verbergen op het tabblad Ontwerp

Het eigenschappenvenster van de tabel wordt weergegeven.

  1. Klik in het eigenschappenvenster op het tabblad Algemeen.
  2. Klik in het vak links van de gewenste eigenschap en voer een instelling voor de eigenschap in.

WeergevenBeschikbare tabeleigenschappen

Met deze tabeleigenschap Kunt u dit doen
Weergaven weergeven op SharePoint-site

Opgeven of weergaven op basis van de tabel kunnen worden weergegeven op een SharePoint-site.

 Opmerking   De effecten van deze instelling zijn afhankelijk van de instelling van de database-eigenschap Alle weergaven weergeven op SharePoint-site.

Raadpleeg de sectie Zie ook voor meer informatie.

Uitgevouwen subgegevensblad Alle subgegevensbladen uitvouwen wanneer u de tabel opent
Hoogte subgegevensblad

Voer een van de volgende handelingen uit:

  • Wijzig de huidige instelling 0 niet als u het venster van het subgegevensblad wilt uitvouwen zodat alle rijen worden weergegeven.
  • Voer de gewenste waarde in als u de hoogte van het subgegevensblad zelf wilt bepalen.
Richting De weergaverichting instellen voor een taal die van links naar rechts of van rechts naar links wordt gelezen.
Beschrijving Een beschrijving geven van de tabel. De beschrijving wordt in de scherminfo voor de tabel weergegeven.
Standaardweergave Gegevensblad, Draaitabel of Draaigrafiekinstellen als standaardweergave wanneer u de tabel opent.
Validatieregel Een expressie invoeren die steeds waar moet zijn wanneer u een record toevoegt of wijzigt.
Validatietekst Een bericht invoeren dat wordt weergegeven wanneer de expressie voor de eigenschap Validatieregel niet waar is omdat er een record is toegevoegd of gewijzigd.
Filter Criteria definiëren die alleen overeenkomstige rijen weergeven in de gegevensbladweergave.
Sorteren op Een of meer velden selecteren die de standaardsorteervolgorde voor rijen in de gegevensbladweergave bepalen.
Naam subgegevensblad Opgeven of er een subgegevensblad moet worden weergegeven in de gegevensbladweergave en zo ja, welke tabel of query de rijen voor het subgegevensblad moet leveren.
Subvelden koppelen De velden in de tabel of query weergeven die worden gebruikt voor het subgegevensblad en overeenkomen met de eigenschap Hoofdvelden koppelen die voor de tabel is opgegeven.
Hoofdvelden koppelen De velden in de tabel weergeven die overeenkomen met de eigenschap Subvelden koppelen die voor de tabel is opgegeven.
Filteren bij laden Automatisch de filtercriteria van de eigenschap Filteren toepassen (door deze op Ja in te stellen) wanneer de tabel in de gegevensbladweergave wordt geopend.
Sorteren op bij laden Automatisch de sorteercriteria van de eigenschap Sorteren op toepassen (door deze op Ja in te stellen) wanneer de tabel in de gegevensbladweergave wordt geopend.

 Tip   Als u meer ruimte wilt om een instelling in het eigenschappenvak in te voeren of te bewerken, drukt u op Shift+F2 om het vak In- en uitzoomen weer te geven. Als u de eigenschap Validatieregel op een expressie instelt en hulp nodig hebt bij het opbouwen daarvan, klikt u op Knopafbeelding naast het vak van de eigenschap Validatieregel om de opbouwfunctie voor expressies weer te geven.

  1. Druk op Ctrl+S om de wijzigingen op te slaan.

Terug naar boven Terug naar boven

Een veld aan een tabel toevoegen

U kunt elk gegevensitem dat u wilt bijhouden, in een veld opslaan. In een tabel met contactpersonen kunt u bijvoorbeeld velden maken voor Achternaam, Voornaam, Telefoonnummer en Adres. In een tabel met producten kunt u velden maken voor Productnaam, Product-id en Prijs.

Probeer voordat u velden maakt om de gegevens op te splitsen in zo klein mogelijke fragmenten met nuttige informatie. Het is veel gemakkelijker om gegevens naderhand te combineren dan deze later alsnog op te splitsen. U kunt bijvoorbeeld in plaats van een veld met de volledige namen van personen beter afzonderlijke velden voor de voor- en achternaam maken. U kunt dan gemakkelijk zoeken of sorteren op voornaam en/of achternaam. Als u van plan bent een gegevensitem te gebruiken om een rapport te maken, gegevens te sorteren of te zoeken of berekeningen uit te voeren, moet u voor dit item een afzonderlijk veld maken. Volg de koppelingen in de sectie Zie ook voor meer informatie over het ontwerpen van een database en het maken van velden.

Nadat u een veld hebt gemaakt, kunt u ook veldeigenschappen instellen om het uiterlijk en gedrag van het veld te bepalen.

Een veld toevoegen door gegevens in te voeren

Wanneer u een nieuwe tabel maakt of een bestaande tabel opent in de gegevensbladweergave, kunt u een veld aan de tabel toevoegen door gegevens in de kolom Nieuw veld toevoegen van het gegevensblad toe te voegen.

Gegevensblad met kolom Nieuw veld toevoegen

Toelichting 1 Voer in de kolom Nieuw veld toevoegen gegevens in.
  1. Maak of open een tabel in de gegevensbladweergave.

 Opmerking   Zie de sectie Een nieuwe tabel maken voor meer informatie.

  1. Voer in de kolom Nieuw veld toevoegen de naam in van het veld dat u wilt maken.

Gebruik een beschrijvende naam zodat u het veld gemakkelijker kunt herkennen.

  1. Voer in het nieuwe veld gegevens in.

Terug naar boven Terug naar boven

Een berekend veld maken

Berekende velden maakt u in de ontwerpweergave.

  1. Open de tabel waarin u een berekend veld wilt maken in de ontwerpweergave.
  2. Typ in de eerste lege rij van het tabelontwerpraster onder Veldnaam een naam voor het berekende veld.
  3. Kies onder Gegevenstype de optie Berekend.

De opbouwfunctie voor expressies wordt geopend.

  1. Voer in de opbouwfunctie voor expressies de berekening in die u wilt uitvoeren. Als de tabel bijvoorbeeld Veld1 en Veld2 bevat en u een berekend veld (Veld3) wilt maken dat gelijk is aan de waarde van Veld1 gedeeld door de waarde van Veld2, voert u in de opbouwfunctie voor expressies de berekening [Veld1]/[Veld2] in.

Zie het artikel Inleiding tot expressies voor meer informatie.

  1. Klik op OK wanneer u de berekening hebt ingevoerd.

 Tip   Het is een goed idee om naar de gegevensbladweergave te gaan en te controleren of het berekende veld naar wens werkt.

Terug naar boven Terug naar boven

De eigenschappen van een veld instellen

Nadat u een veld hebt gemaakt, kunt u de veldeigenschappen instellen om het uiterlijk en gedrag van het veld te bepalen.

Met eigenschappen kunt u bijvoorbeeld het volgende doen:

  • Bepalen hoe de gegevens in een veld eruitzien
  • Zoveel mogelijk voorkomen dat er onjuiste gegevens in een veld worden ingevoerd
  • Standaardwaarden opgeven voor een veld
  • Zoek- en sorteerbewerkingen op basis van een veld versnellen

U kunt enkele van de beschikbare veldeigenschappen instellen terwijl u werkt in de gegevensbladweergave. Als u echter alle veldeigenschappen wilt bekijken en instellen, moet u de ontwerpweergave gebruiken.

Eigenschappen instellen in de gegevensbladweergave

Terwijl u werkt in de gegevensbladweergave, kunt u de naam, het gegevenstype, de eigenschap Notatie en enkele andere eigenschappen van een veld wijzigen.

Een tabel openen in de gegevensbladweergave

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op de tabel die u wilt openen.
  2. Klik in het snelmenu op Gegevensbladweergave.

De naam van een veld wijzigen

Wanneer u een veld toevoegt door in de gegevensbladweergave gegevens in te voeren, wordt er automatisch een algemene naam aan het veld toegewezen. De naam Veld1 wordt toegewezen aan het eerste nieuwe veld, Veld2 aan het tweede nieuwe veld, enzovoort. Overal waar het veld wordt weergegeven, wordt de naam van het veld standaard als label gebruikt, bijvoorbeeld als kolomkop op een gegevensblad. U kunt de veldnamen wijzigen en een meer beschrijvende naam toewijzen aan de velden zodat deze gemakkelijker te gebruiken zijn wanneer u records bekijkt of bewerkt.

  1. Klik met de rechtermuisknop op de koptekst van het veld waaraan u een nieuwe naam wilt toewijzen (bijvoorbeeld Veld1).
  2. Klik in het snelmenu op Kolomnaam wijzigen.
  3. Voer in de veldkop de nieuwe naam in.

Veldnamen kunnen bestaan uit maximaal 64 tekens (letters of cijfers) inclusief spaties.

Het gegevenstype van een veld wijzigen

Wanneer u een veld maakt door gegevens in de gegevensbladweergave in te voeren, worden deze gegevens onderzocht om vast te stellen wat het meest geschikte gegevenstype voor het veld is. Als u bijvoorbeeld 1-1-2006 invoert, worden deze gegevens herkend als datum en wordt het gegevenstype voor het veld ingesteld op Datum/tijd. Als het gegevenstype niet met zekerheid kan worden vastgesteld, wordt het gegevenstype standaard ingesteld op Tekst.

Het gegevenstype van het veld bepaalt welke andere veldeigenschappen u kunt instellen. U kunt bijvoorbeeld de eigenschap Alleen toevoegen alleen instellen voor een veld met het gegevenstype Hyperlink of Memo.

In bepaalde gevallen kan het nodig zijn om een gegevenstype van een veld handmatig te wijzigen. Stel dat u kamernummers gebruikt die lijken op datums, zoals 10-2001. Als u 10-2001 in een nieuw veld in de gegevensbladweergave invoert, wordt automatisch het gegevenstype Datum/tijd voor het veld geselecteerd. Omdat kamernummers labels zijn en geen datums, moeten ze het gegevenstype Tekst krijgen. Ga als volgt te werk als u het gegevenstype van een veld wilt wijzigen:

  1. Klik op het tabblad Gegevenblad .
  2. Selecteer in de lijst Gegevenstype in de groep Gegevenstype en -notatie het gewenste gegevenstype.

Afbeelding van het lint in Access

WeergevenBeschikbare gegevenstypen

Gegevenstype Voor de opslag van Formaat
Tekst

Alfanumerieke tekens

Te gebruiken voor tekst of voor getallen die niet worden gebruikt in berekeningen (bijvoorbeeld een product-id). Een numerieke waarde die wordt opgeslagen als tekst kan logischer worden gesorteerd en gefilterd maar kan niet eenvoudig worden gebruikt in berekeningen.

Maximaal 255 tekens.
Memo

Alfanumerieke tekens (met een lengte van meer dan 255 tekens) of tekst die gebruikmaakt van RTF-opmaak.

Te gebruiken voor tekst met een lengte van meer dan 255 tekens of voor tekst die gebruikmaakt van RTF-opmaak. Opmerkingen, lange beschrijvingen en alinea's die gebruikmaken van tekstopmaak, bijvoorbeeld vette of cursieve tekst, zijn goede voorbeelden van objecten waarvoor u een memoveld kunt gebruiken.

Maximaal 1 GB tekens of 2 GB opslag (2 bytes per teken), waarvan u 65.535 tekens kunt weergeven in een besturingselement.
Getal

Numerieke waarden (gehele getallen of breuken).

Te gebruiken voor de opslag van getallen die worden gebruikt in berekeningen, behalve voor geldbedragen (gebruik het gegevenstype Valuta voor geldbedragen).

1, 2, 4 of 8 bytes, of 16 bytes wanneer de waarde wordt gebruikt voor een replicatie-id.
Datum/tijd

Datums en tijden.

Te gebruiken voor de opslag van datum-/tijdwaarden. Elke opgeslagen waarde heeft zowel een datum- als een tijdonderdeel.

8 bytes.
Valuta

Geldbedragen.

Te gebruiken voor de opslag van geldbedragen (valuta).

8 bytes.
AutoNummering

Een unieke numerieke waarde die automatisch wordt ingevoegd wanneer er een record wordt toegevoegd.

Te gebruiken voor het genereren van unieke waarden die kunnen worden gebruikt als primaire sleutel. Waarden voor AutoNummering-velden kunnen sequentieel of met een opgegeven waarde worden verhoogd, of willekeurig worden toegewezen.

4 bytes, of 16 bytes wanneer de waarde wordt gebruikt voor een replicatie-id.
Ja/nee

Booleaanse waarden (ja/nee).

U kunt een van de volgende drie notaties gebruiken: ja/nee, waar/onwaar of aan/uit.

1 bit (8 bits = 1 byte).
OLE-object

OLE-objecten of andere binaire gegevens.

Te gebruiken voor de opslag van OLE-objecten uit andere Microsoft Windows-programma's.

Maximaal 1 GB.
Bijlage

Foto's, afbeeldingen, binaire bestanden, Office-bestanden.

Dit is het aanbevolen gegevenstype voor de opslag van digitale afbeeldingen en alle typen binaire bestanden.

2 GB voor gecomprimeerde bijlagen. Ongeveer 700 kB voor niet-gecomprimeerde bijlagen, afhankelijk van de mate waarin de bijlage kan worden gecomprimeerd.
Hyperlink

Hyperlinks.

Te gebruiken voor de opslag van hyperlinks waarmee met één klik toegang wordt geboden tot webpagina's dankzij een URL (Uniform Resource Locator) of tot bestanden via een naam in UNC-indeling (Universal Naming Convention). U kunt ook een koppeling maken naar Access-objecten die zijn opgeslagen in een database.

Maximaal 1 GB tekens of 2 GB opslag (2 bytes per teken), waarvan u 65.535 tekens kunt weergeven in een besturingselement.
Wizard Opzoeken

Dit is niet echt een gegevenstype. U kunt hiermee de wizard Opzoeken starten.

Te gebruiken om de wizard Opzoeken te starten zodat u een veld kunt maken dat gebruikmaakt van een keuzelijst met invoervak om een waarde op te zoeken in een andere tabel, query of lijst met waarden.

Op tabel of query gebaseerd: het formaat van de afhankelijke kolom.

Op waarde gebaseerd: het formaat van het tekstveld dat wordt gebruikt voor de opslag van de waarde.

 Opmerking   Het maximumformaat van een Access-databasebestand is 2 GB.

Tips voor gegevenstypen
  • U kunt prestaties optimaliseren door de meest geschikte veldlengte te kiezen wanneer u een veld van het type Tekst of Numeriek maakt. Als u bijvoorbeeld in het veld postcodes met een voorspelbare lengte opslaat, geeft u deze waarde op als veldlengte. U kunt de veldlengte opgeven door een waarde in te stellen in het eigenschappenvak Veldlengte. Zie de sectie Overige veldeigenschappen instellen voor meer informatie.
  • Voor telefoonnummers, artikelnummers en andere nummers die u niet zult gebruiken in wiskundige berekeningen, kunt u het beste het gegevenstype Tekst selecteren in plaats van Numeriek. Een numerieke waarde die is opgeslagen als tekst, kan op een logischer manier worden gesorteerd en gefilterd.

De notatie van een veld wijzigen

Niet alleen het gegevenstype van een nieuw veld wordt automatisch bepaald, maar ook de eigenschap Notatie voor het veld wordt mogelijk automatisch ingesteld, afhankelijk van de ingevoerde gegevens. Als u bijvoorbeeld 10:50 invoert, wordt het gegevenstype op Datum/tijd en de eigenschap Notatie op Korte tijdnotatie ingesteld. Ga als volgt te werk als u handmatig de eigenschap Notatie van een veld wilt wijzigen:

  1. Klik op het lint op het tabblad Gegevensblad.
  2. Voer in de lijst Notatie in de groep Gegevenstype en -notatie de gewenste notatie in.

 Opmerking   De lijst Notatie is mogelijk niet beschikbaar voor bepaalde velden (bijvoorbeeld voor tekstvelden), afhankelijk van het gegevenstype van het veld.

Overige veldeigenschappen instellen

  1. Klik in de gegevensbladweergave op het veld waarvoor u de eigenschap wilt instellen.
  2. Selecteer op het tabblad Gegevensblad in de groep Gegevenstype en -notatie de gewenste eigenschappen.

Afbeelding van het lint in Access

Terug naar boven Terug naar boven

Veldeigenschappen instellen in de ontwerpweergave

Als u werkt met een tabel in de ontwerpweergave, kunt u elke gewenste veldeigenschap instellen. In het tabelontwerpraster kunt u het gegevenstype van een veld instellen en in het deelvenster Veldeigenschappen kunt u de overige eigenschappen instellen.

Een tabel openen in de ontwerpweergave

  1. Klik in het navigatiedeelvenster met de rechtermuisknop op de tabel.
  2. Klik in het snelmenu op Ontwerpweergave.

Het gegevenstype van een veld wijzigen

  1. Ga in het tabelontwerpraster naar het veld waarvoor u het gegevenstype wilt instellen.
  2. Kies in de kolom Gegevenstype een gegevenstype in de lijst.

WeergevenBeschikbare gegevenstypen

Gegevenstype Voor de opslag van Formaat
Tekst

Alfanumerieke tekens

Te gebruiken voor tekst of voor getallen die niet worden gebruikt in berekeningen (bijvoorbeeld een product-id). Een numerieke waarde die wordt opgeslagen als tekst kan logischer worden gesorteerd en gefilterd maar kan niet eenvoudig worden gebruikt in berekeningen.

Maximaal 255 tekens.
Memo

Alfanumerieke tekens (met een lengte van meer dan 255 tekens) of tekst die gebruikmaakt van RTF-opmaak.

Te gebruiken voor tekst met een lengte van meer dan 255 tekens of voor tekst die gebruikmaakt van RTF-opmaak. Opmerkingen, lange beschrijvingen en alinea's die gebruikmaken van tekstopmaak, bijvoorbeeld vette of cursieve tekst, zijn goede voorbeelden van objecten waarvoor u een memoveld kunt gebruiken.

Maximaal 1 GB tekens of 2 GB opslag (2 bytes per teken), waarvan u 65.535 tekens kunt weergeven in een besturingselement.
Getal

Numerieke waarden (gehele getallen of breuken).

Te gebruiken voor de opslag van getallen die worden gebruikt in berekeningen, behalve voor geldbedragen (gebruik het gegevenstype Valuta voor geldbedragen).

1, 2, 4 of 8 bytes, of 16 bytes wanneer de waarde wordt gebruikt voor een replicatie-id.
Datum/tijd

Datums en tijden.

Te gebruiken voor de opslag van datum-/tijdwaarden. Elke opgeslagen waarde heeft zowel een datum- als een tijdonderdeel.

8 bytes.
Valuta

Geldbedragen.

Te gebruiken voor de opslag van geldbedragen (valuta).

8 bytes.
AutoNummering

Een unieke numerieke waarde die automatisch wordt ingevoegd wanneer er een record wordt toegevoegd.

Te gebruiken voor het genereren van unieke waarden die kunnen worden gebruikt als primaire sleutel. Waarden voor AutoNummering-velden kunnen sequentieel of met een opgegeven waarde worden verhoogd, of willekeurig worden toegewezen.

4 bytes, of 16 bytes wanneer de waarde wordt gebruikt voor een replicatie-id.
Ja/nee

Booleaanse waarden (ja/nee).

U kunt een van de volgende drie notaties gebruiken: ja/nee, waar/onwaar of aan/uit.

1 bit (8 bits = 1 byte).
OLE-object

OLE-objecten of andere binaire gegevens.

Te gebruiken voor de opslag van OLE-objecten uit andere Microsoft Windows-programma's.

Maximaal 1 GB.
Bijlage

Foto's, afbeeldingen, binaire bestanden, Office-bestanden.

Dit is het aanbevolen gegevenstype voor de opslag van digitale afbeeldingen en alle typen binaire bestanden.

2 GB voor gecomprimeerde bijlagen. Ongeveer 700 kB voor niet-gecomprimeerde bijlagen, afhankelijk van de mate waarin de bijlage kan worden gecomprimeerd.
Hyperlink

Hyperlinks.

Te gebruiken voor de opslag van hyperlinks waarmee met één klik toegang wordt geboden tot webpagina's dankzij een URL (Uniform Resource Locator) of tot bestanden via een naam in UNC-indeling (Universal Naming Convention). U kunt ook een koppeling maken naar Access-objecten die zijn opgeslagen in een database.

Maximaal 1 GB tekens of 2 GB opslag (2 bytes per teken), waarvan u 65.535 tekens kunt weergeven in een besturingselement.
Wizard Opzoeken

Dit is niet echt een gegevenstype. U kunt hiermee de wizard Opzoeken starten.

Te gebruiken om de wizard Opzoeken te starten zodat u een veld kunt maken dat gebruikmaakt van een keuzelijst met invoervak om een waarde op te zoeken in een andere tabel, query of lijst met waarden.

Op tabel of query gebaseerd: het formaat van de afhankelijke kolom.

Op waarde gebaseerd: het formaat van het tekstveld dat wordt gebruikt voor de opslag van de waarde.

 Opmerking   Het maximumformaat van een Access-databasebestand is 2 GB.

Tips voor gegevenstypen
  • Voor telefoonnummers, artikelnummers en andere nummers die u niet zult gebruiken in wiskundige berekeningen, kunt u het beste het gegevenstype Tekst selecteren in plaats van Numeriek. Een numerieke waarde die is opgeslagen als tekst, kan op een logischer manier worden gesorteerd en gefilterd, maar kan niet gemakkelijk worden gebruikt in berekeningen.
  • Voor de gegevenstypen Tekst en Numeriek kunt u de veldlengte bepalen of het gegevenstype preciezer opgeven door in het eigenschappenvak Veldlengte een waarde in te voeren.

Overige veldeigenschappen instellen

  1. Selecteer in het tabelontwerpraster het veld waarvoor u eigenschappen wilt instellen. De eigenschappen voor dit veld worden in het deelvenster Veldeigenschappen weergegeven.

 Opmerking   Het gegevenstype van het veld bepaalt de eigenschappen die u kunt instellen.

  1. Voer in het deelvenster Veldeigenschappen de gewenste instellingen in voor elke eigenschap of druk op F6 en gebruik de pijltoetsen om een eigenschap te selecteren.

WeergevenWelke veldeigenschappen zijn er beschikbaar?

 Opmerking   Niet alle eigenschappen zijn beschikbaar voor elk veld. Het gegevenstype van een veld bepaalt welke eigenschappen dit veld kan bevatten.

Veldeigenschap Beschrijving
Veldlengte

Hiermee stelt u de maximale lengte in voor gegevens die worden opgeslagen met het gegevenstype Tekst, Numeriek of AutoNummering.

 Tip   Geef voor optimale prestaties altijd de kleinst mogelijke waarde op voor Veldlengte.

Notatie Hiermee past u aan hoe de waarden in het veld standaard worden weergegeven of afgedrukt.
Decimalen Hiermee stelt u het gewenste aantal decimalen voor de weergave van getallen in.
Nieuwe waarden Hiermee geeft u op of u de waarde in een veld van het type AutoNummering met één wilt verhogen ten opzichte van het vorige veld of hieraan een willekeurige waarde wilt toewijzen als er een nieuwe record wordt toegevoegd.
Invoermasker Hiermee geeft u tekens weer die de gebruiker helpen bij het invoeren van gegevens. Raadpleeg de sectie Zie ook voor meer informatie over het maken en gebruiken van een invoermasker.
Bijschrift Hiermee stelt u in welke tekst standaard wordt weergegeven in labels voor formulieren, rapporten en query's.
Standaardwaarde Hiermee wijst u automatisch een standaardwaarde aan een veld toe wanneer nieuwe records worden toegevoegd.
Validatieregel Geef een expressie op die waar moet zijn wanneer u de waarde in dit veld toevoegt of wijzigt.
Validatietekst Voer een bericht in dat moet worden weergegeven wanneer een waarde niet voldoet aan de expressie in de eigenschap Validatieregel.
Vereist Hiermee kunt u aangeven dat een veld moet worden ingevuld.
Lengte nul toestaan Hiermee staat u toe (door de waarde van de eigenschap op Ja in te stellen) dat er een tekenreeks met lengte nul ('') in een tekst- of memoveld wordt ingevoerd.
Geïndexeerd Hiermee zorgt u ervoor dat er een index wordt gemaakt en gebruikt, waardoor de gegevens in dit veld sneller kunnen worden verwerkt.
Unicode-compressie Hiermee comprimeert u de tekst die in dit veld is opgeslagen als er een kleine hoeveelheid tekst wordt opgeslagen (< 4.096 tekens).
IME-modus Hiermee bepaalt u de conversie van karakters in een Oost-Aziatische versie van Windows.
IME-zinmodus Hiermee bepaalt u de conversie van zinnen in een Oost-Aziatische versie van Windows.
Actielabels Hiermee koppelt u een actielabel (infolabels: gegevens die als een bepaald type worden herkend en benoemd. De naam van een persoon of de naam van een recente ontvanger van Microsoft Outlook-e-mail is een gegevenstype dat kan worden herkend en voorzien van een infolabel.) aan dit veld.
Alleen toevoegen Hiermee houdt u de geschiedenis van veldwaarden bij (door de waarde van de eigenschap in te stellen op Ja).
Tekstopmaak Kies voor deze eigenschap de waarde Tekst met opmaak als u de tekst als HTML wilt opslaan en als u uitgebreide opmaak wilt toestaan. Kies de waarde Tekst zonder opmaak als u alleen tekst zonder opmaak wilt opslaan.
Tekstuitlijning Hiermee stelt u de standaarduitlijning van de tekst in binnen een besturingselement.
  1. Als u meer ruimte wilt om een instelling van een eigenschap in het eigenschappenvak in te voeren of te bewerken, drukt u op Shift+F2 om het vak In- en uitzoomen weer te geven.

 Tip   Als u een invoermasker of validatie-expressie invoert en hulp nodig hebt bij het opbouwen daarvan, klikt u op de knop Knopvlak naast het eigenschappenvak om de juiste opbouwfunctie weer te geven.

  1. Druk op Ctrl+S om de wijzigingen op te slaan.

Raadpleeg de sectie Zie ook voor meer informatie over gegevenstypen en veldeigenschappen.

Terug naar boven Terug naar boven

 
 
Van toepassing op:
Access 2010