Zoeken Alles van Office.com
 
Ondersteuning / Access / Access 2003 Help en ondersteuning / Werken met gegevens / Externe gegevens / Gegevens of objecten importeren en koppelen
 
 

Afbeeldingen gebruiken bij formulieren, rapporten en besturingselementen in Access

Van toepassing op: Microsoft Office Access 2003

 
Van toepassing op
Microsoft Office Access 2003

U kunt in Access op verschillende manieren afbeeldingen (digitale foto's, computerafbeeldingen en ingescande illustraties) opslaan en weergeven. In dit artikel wordt uitgelegd hoe u afbeeldingen opslaat en deze weergeeft in formulieren, rapporten en besturingselementen zoals knoppen en tekstlabels.

Inhoudsopgave

  • Informatie over het opslaan en weergeven van afbeeldingen
    In dit artikel worden de concepten uitgelegd die u moet kennen om afbeeldingen op de juiste manier te kunnen gebruiken. Zo wordt beschreven wanneer u afbeeldingen moet insluiten of koppelen, en wanneer u afhankelijke of niet-afhankelijke afbeeldingen moet gebruiken. Ook wordt kort ingegaan op OLE (de technologie waarmee bij sommige Access-onderdelen afbeeldingen worden opgeslagen en weergegeven), worden de ondersteunde indelingen van grafische bestanden opgesomd en wordt uitgelegd waarom u een bepaald bestandstype zoals Windows Bitmap (BMP) moet gebruiken.
  • Afbeeldingen opslaan in een database
    In dit artikel wordt uitgelegd hoe u velden aan databasetabellen toevoegt, en afbeeldingen aan deze velden koppelt of in deze velden insluit.
  • Afbeeldingen weergeven in formulieren, rapporten en besturingselementen
    In dit artikel wordt uitgelegd hoe u afbeeldingen toevoegt die steeds worden weergegeven wanneer u door de records van een database en de pagina's van een rapport bladert, hoe u afbeeldingen weergeeft die bij elke record van een database of elke pagina van een rapport veranderen, en hoe u achtergrondafbeeldingen en watermerken toevoegt. Ook wordt uitgelegd hoe u afbeeldingen aan knoppen toevoegt en wordt verwezen naar informatie over het gebruik van VBA-programmacode (Visual Basic for Applications) voor het weergeven van afbeeldingen.
  • Koppelingen en afbeeldingen bijwerken en bewerken
    In dit artikel wordt uitgelegd hoe u koppelingen naar afbeeldingen bijwerkt, bijgewerkte afbeeldingen automatisch en handmatig weergeeft, en afbeeldingen vanuit Access bewerkt.
  • Algemene weergaveproblemen oplossen
    In dit artikel wordt uitgelegd wat u moet doen wanneer u bestandsnamen in plaats van afbeeldingen ziet en 'Pakket' in plaats van 'Bitmapafbeelding' in de tabelvelden staat. Ook wordt uitgelegd hoe u de grafische filters inschakelt.

Informatie over het opslaan en weergeven van afbeeldingen

Het opslaan en weergeven van afbeeldingen (digitale foto's, computerafbeeldingen en ingescande illustraties)  bestaat doorgaans uit een aantal stappen. Eerst kiest u de manier waarop u de afbeeldingen wilt opslaan. U kunt koppelingen maken naar afbeeldingen op de vaste schijf van uw computer of op een server in een netwerk, of de afbeeldingen integraal opnemen in het databasebestand. Dit laatste wordt 'insluiten' genoemd.

Als u bij elke databaserecord of op elke pagina van een rapport een andere afbeelding wilt weergeven, kunt u de koppelingen naar die afbeeldingen in een databasetabel opslaan of die afbeeldingen als objecten in de tabel insluiten. Wilt u statische afbeeldingen weergeven, zoals bedrijfslogo's en achtergrondafbeeldingen, dan kunt u de afbeeldingsbestanden buiten de database opslaan.

Als u hebt bepaald hoe u de afbeeldingen wilt opslaan, plaatst u in het formulier of rapport een besturingselement waarmee een afbeelding kan worden weergegeven, en koppelt u dit besturingselement aan de afbeelding of afbeeldingen die u wilt weergeven.

Als u niet eerder met afbeeldingen in Access hebt gewerkt, moet u goed aangeven hoe u de afbeeldingsbestanden wilt opslaan en weergeven. Maakt u de verkeerde keuze, dan kan de database snel groter en daardoor trager worden, of kunnen de afbeeldingen verdwijnen als u de database verplaatst zonder de afbeeldingen te verplaatsen. In de volgende gedeelten wordt achtergrondinformatie gegeven over het effectief opslaan, weergeven en beheren van afbeeldingen.

 Opmerking   U kunt afbeeldingen niet in een gegevensbladweergave weergeven. De stappen in dit artikel zijn alleen van toepassing op formulieren, rapporten en besturingselementen zoals knoppen.

Informatie over het opslaan van afbeeldingen

In Access kunt u op verschillende manieren afbeeldingen opslaan. U kunt:

  • Afbeeldingen rechtstreeks in een OLE-objectveld in een databasetabel insluiten.

WeergevenWat is een OLE-objectveld?

OLE is de technologie voor het delen van bestanden tussen verschillende Microsoft Office-programma's. U gebruikt OLE als u bijvoorbeeld een Microsoft Excel-werkblad in een Microsoft Word-document of een Microsoft PowerPoint-dia in een Microsoft Visio-tekening invoegt. U gebruikt een OLE-objectveld wanneer u afbeeldingen (of koppelingen naar afbeeldingen) en bestanden van andere Office-programma's in de database opslaat.


Deze methode is gemakkelijker te implementeren, omdat u de schermen en hulpprogramma's van Access gebruikt. Daarnaast worden de afbeeldingen onderdeel van de database en worden deze verplaatst wanneer u de database verplaatst. U hoeft de koppelingen naar de afbeeldingsbestanden nooit bij te werken, maar u moet wel de ingesloten afbeeldingen vernieuwen als u de originele bestanden hebt bewerkt. Zie voor meer informatie over het bijwerken van gewijzigde bestanden Koppelingen en afbeeldingen bijwerken en bewerken verderop in dit artikel.

Bij gebruik van deze methode kan de database echter snel groter en daardoor trager worden. Dit is met name het geval als u GIF- en JPEG-bestanden opslaat, omdat bij OLE een extra bitmapbestand wordt gemaakt dat de weergavegegevens voor elk grafisch bestand bevat. Dit is de standaardwerkwijze. Als er iets mis gaat met de originele bestanden, worden de bitmapafbeeldingen gebruikt. Deze extra bestanden kunnen groter zijn dan de originele afbeeldingen, waardoor de database snel groter wordt. Opmerking: databases kunnen niet groter zijn dan 2 gigabyte. Wanneer u veel afbeeldingen hebt, is deze grens snel bereikt.

Bovendien ondersteunt deze methode alleen de BMP-indeling en de DIB-indeling (apparaatonafhankelijke bitmap) voor afbeeldingsbestanden, tenzij u extra software installeert of VBA-code gebruikt. Zie voor informatie over de extra software het volgende gedeelte en Algemene weergaveproblemen oplossen verderop in dit artikel. Zie het Microsoft Knowledge Base-artikel ACC: BLOB's (Binary Large Object) lezen, opslaan en schrijven (Engelstalig) voor informatie over het gebruik van VBA-code.

WeergevenWaarom er voor OLE extra software nodig is en er bitmapbestanden worden toegevoegd

OLE gebruikt standaard onderdelen, de zogenaamde OLE-bronprogramma's, voor het weergeven van de meeste soorten grafische bestanden en andere bestandstypen zoals Microsoft Excel-werkbladen of Microsoft PowerPoint-dia's. In dat geval is een OLE-programma onderdeel van het programma waarmee de originele afbeelding of een ander bestand is gemaakt. De server geeft een of meer bestandstypen weer wanneer u een koppeling naar deze bestanden maakt of deze bestanden insluit.

Stel, u maakt met een grafisch programma een GIF- of JPEG-afbeelding en u geeft die afbeelding in een van de objectkaders in Access weer. Voor de objectkaders wordt OLE gebruikt en de afbeelding wordt weergegeven door het grafische programma waarmee deze is gemaakt. Met andere woorden: de afbeelding wordt niet via Access en de objectkaders weergegeven, maar door het bronprogramma.

Hierbij moet u enkele zaken in gedachten houden. Ten eerste: om een afbeelding te kunnen weergeven moet het grafische programma waarmee die afbeelding is gemaakt, op dezelfde computer staan als de Access-database. Als dat programma niet kan worden gestart of als u de database naar een computer verplaatst waarop dat bronprogramma niet is geïnstalleerd, kan de afbeelding niet in Access worden weergegeven. Ten tweede: bij OLE wordt dat probleem omzeild doordat er een BMP- of DIB-bestand wordt gemaakt voor alle afbeeldingen en andere bestanden die u met behulp van een OLE-besturingselement hebt gekoppeld of ingesloten. Als u de database verplaatst of als het hoofdprogramma niet werkt, wordt in OLE de bitmapversie van de originele afbeelding weergegeven. Ten derde: deze DIB-bestanden zijn vaak groter dan de originele afbeeldingen. Als u GIF- of JPEG-bestanden naar BMP-bestanden converteert, hoeft er geen ondersteuningsbestand door OLE te worden gemaakt en blijft de grootte van de database binnen de perken, ondanks dat BMP-bestanden groter zijn dan GIF- of JPEG-bestanden. Ten vierde: u kunt van tevoren niet weten of een bepaald programma over het OLE-bronprogramma beschikt dat nodig is om een bepaald bestandstype weer te geven.

Als u het kader voor een afhankelijk object gebruikt om afbeeldingen weer te geven en u ziet bestandsnamen in plaats van afbeeldingen, ontbreekt het OLE-bronprogramma dat nodig is om dat bestandstype te kunnen weergeven. Dit is een probleem bij Access 2003. U kunt dit oplossen door het programma Microsoft Photo Editor opnieuw van de Microsoft Office 2000- of Office XP-cd-rom te installeren. Zie Algemene weergaveproblemen oplossen voor het opnieuw installeren van Photo Editor.

Houd er ook rekening dat Photo Editor op elke clientcomputer moet zijn geïnstalleerd als u een database naar meerdere gebruikers wilt distribueren.


  • Afbeeldingen lokaal of in een netwerk opslaan en vervolgens vanuit een databasetabel een koppeling naar de afbeeldingen maken. Deze methode is vergelijkbaar met het insluiten van afbeeldingen in een OLE-objectveld, maar het verschil is dat u de afbeeldingen nu niet insluit maar koppelt. Deze methode houdt het midden tussen het insluiten van afbeeldingen en het weergeven van afbeeldingen met behulp van VBA-programmering. Koppelingen naar afbeeldingen nemen minder ruimte in dan ingesloten afbeeldingen. Bovendien kunt u met de schermen en hulpprogramma's van Access een oplossing implementeren.

Als u echter uw database of afbeeldingsbestanden verplaatst, moet u de koppelingen bijwerken. Deze koppelingen worden ook verbroken als de afbeeldingsbestanden beschadigd raken. Daarnaast ondersteunt deze methode hetzelfde, beperkte aantal bestandstypen (BMP- en DIB-bestanden) als de eerste methode en zijn er OLE-bronprogramma's nodig om meer bestandstypen te kunnen weergeven. Zie Koppelingen en afbeeldingen bijwerken en bewerken voor meer informatie over het bijwerken van koppelingen. Zie Waarom er voor OLE extra software nodig is en er bitmapbestanden worden toegevoegd voor meer informatie over die extra software.

  • VBA-code gebruiken om afbeeldingen weer te geven. Deze methode omvat het lokaal of in een netwerk opslaan van afbeeldingen, het opslaan van de afbeeldingspaden en bestandsnamen in een tekstveld in een databasetabel en het gebruiken van code om de eigenschappen in te stellen voor het Access-besturingselement voor afbeeldingen en het weergeven van afbeeldingen. Voor deze methode moet er worden geprogrammeerd, maar het grote voordeel is dat er heel weinig opslagruimte voor nodig is omdat tekstvelden veel kleiner zijn dan OLE-objectvelden. Bij grote aantallen afbeeldingen is dit de aanbevolen methode.

Houd er echter wel rekening mee dat wanneer u de database verplaatst, u ook de afbeeldingen moet verplaatsen. Wanneer de paden naar de afbeeldingen worden gewijzigd, moet u de gegevens in de tabel bijwerken.

Informatie over het weergeven van afbeeldingen

Om afbeeldingen in Access te kunnen gebruiken moet u ook iets van de terminologie en de antwoorden op enkele belangrijke vragen kennen:

  • Wilt u afhankelijke of niet-afhankelijke afbeeldingen gebruiken? U gebruikt afhankelijke afbeeldingen als u steeds een andere afbeelding wilt weergeven wanneer u door de records van een database of de pagina's van een rapport bladert. Als u bijvoorbeeld een database van uw werknemers hebt en u wilt van iedere werknemer een foto laten weergeven, gebruikt u afhankelijke afbeeldingen.

Bij niet-afhankelijke afbeeldingen daarentegen wordt steeds dezelfde afbeelding weergegeven als u door records of pagina's bladert. Gebruik een niet-afhankelijke afbeelding als u bijvoorbeeld een bedrijfslogo of een achtergrond in uw formulieren of rapporten wilt weergeven.

  • Wilt u koppelen naar een afbeelding of wilt u die afbeelding insluiten? Koppelen bespaart ruimte omdat alleen de koppelingsgegevens worden opgeslagen. Bij het insluiten van een afbeelding wordt de afbeelding zelf in de database geplaatst. Dit heeft als nadeel dat de database veel groter en daardoor ook vaak trager wordt. Een ingesloten afbeelding is daarentegen altijd beschikbaar.

In de volgende gedeelten wordt dieper op deze opties ingegaan en wordt aangegeven hoe u deze het beste kunt gebruiken.

WeergevenAfhankelijke en niet-afhankelijke afbeeldingen

Voordat u een afbeelding of een aantal afbeeldingen in een Access-database gaat gebruiken, moet u kiezen of u afhankelijke of niet-afhankelijke afbeeldingen wilt gebruiken. Als u wilt dat de afbeeldingen veranderen wanneer u door de records van de database of de pagina's van een rapport bladert, moet u afhankelijke afbeeldingen gebruiken. Afhankelijke afbeeldingen worden doorgaans opgeslagen in een tabel in de database. In de tabel kunnen de koppelingen naar de afbeeldingen worden opgeslagen of kunnen de afbeeldingen zelf worden opgeslagen (insluiten). Houd er wel rekening mee dat bij het insluiten van afbeeldingen de database snel groter wordt en daardoor trager kan worden. Zie Waarom er voor OLE extra software nodig is en er bitmapbestanden worden toegevoegd voor meer informatie over de reden waarom databases door afbeeldingen kunnen vollopen. Zie Afbeeldingen opslaan in een database voor informatie over het opslaan van afbeeldingen in databasetabellen.

Als de afbeelding niet mag veranderen wanneer u door records of pagina's bladert, gebruikt u een niet-afhankelijke afbeelding. Niet-afhankelijke afbeeldingen kunnen worden opgeslagen in de database (wanneer u ze in formulieren of rapporten insluit), op de vaste schijf van uw computer of in een netwerk.

De beslissing om afhankelijke of niet-afhankelijke afbeeldingen te gebruiken is ook bepalend voor het type besturingselement dat u in het formulier of rapport plaatst. Als u afhankelijke afbeeldingen gebruikt, gebruikt u een besturingselement dat kader voor afhankelijke afbeelding wordt genoemd. Om niet-afhankelijke afbeeldingen weer te geven kunt u kiezen tussen het besturingselement voor afbeeldingen of het kader voor een niet-afhankelijk object, maar u kunt de afbeelding ook als achtergrond of watermerk aan het formulier toevoegen. Zie het volgende gedeelte, 'Objectkaders en besturingselementen voor afbeeldingen', voor meer informatie over deze besturingselementen.


WeergevenObjectkaders en besturingselementen voor afbeeldingen

U kunt afbeeldingen met behulp van diverse besturingselementen weergeven. In de volgende tabel vindt u een beschrijving van de drie meest gebruikte besturingselementen.

Besturingselement Gebruik Beste gebruik
Besturingselement voor afbeeldingen Weergeven van niet-afhankelijke gekoppelde of ingesloten afbeeldingen (bijvoorbeeld logo's) op een formulier. Weergeven van niet-afhankelijke afbeeldingen (gekoppeld of ingesloten). Dit besturingselement wordt sneller geladen dan het kader voor een niet-afhankelijk object en ondersteunt meer typen grafische bestanden dan de kaders voor afhankelijke of niet-afhankelijke objecten. Zie Ondersteunde indelingen van grafische bestanden voor een lijst van de bestandstypen die u bij dit besturingselement kunt gebruiken.
Kader voor niet-afhankelijk object Weergeven van niet-afhankelijke gekoppelde of ingesloten afbeeldingen plus andere typen bestanden, zoals Microsoft Excel-werkbladen of Microsoft Word-documenten. Weergeven van bestanden uit een spreadheetprogramma, tekstverwerker, enzovoort.
Kader voor afhankelijk object Weergeven van afhankelijke afbeeldingen en andere typen bestanden, zoals Excel-werkbladen of Word-documenten. Weergeven van een steeds weer andere afbeelding wanneer u door records of de pagina's van een rapport bladert.

WeergevenAfbeelding insluiten en koppelen

U kunt afbeeldingen in formulieren en rapporten insluiten of u kunt in formulieren en rapporten koppelingen naar afbeeldingen opnemen. Wanneer u een afbeelding insluit, wordt de afbeelding in het databasebestand geplaatst en is de afbeelding altijd beschikbaar wanneer u het formulier of rapport opent. Het insluiten van afbeeldingen heeft echter als nadeel dat de database erg groot wordt omdat elke instantie van een ingesloten afbeelding aan het databasebestand wordt toegevoegd. Als u bijvoorbeeld een bedrijfslogo in twintig verschillende formulieren en vijf rapporten plaatst, wordt dat logo vijfentwintig keer opgeslagen. Hierdoor kan de database zeer groot en daardoor ook langzamer worden. Een ander nadeel van insluiten is dat wanneer u bijvoorbeeld een ander logo wilt gebruiken, u het logo vijfentwintig keer zult moeten vervangen.

Gekoppelde afbeeldingen daarentegen worden niet in het databasebestand opgeslagen. Bij koppelen maakt u een koppeling met een afbeelding die op de vaste schijf van uw computer of in een netwerk is opgeslagen. Hierbij wordt alleen het pad naar de afbeelding en niet de afbeelding zelf in de database opgeslagen. Het nadeel van koppelen is de hoeveelheid werk die u soms moet uitvoeren. Wanneer u een afbeelding verplaatst, moet u daarna alle koppelingen naar die afbeelding bijwerken. Een ander nadeel is dat de koppelingen worden verbroken als het grafische bestand beschadigd raakt of als het netwerk uitvalt. Als u een stabiel netwerk hebt of als u de afbeeldingen altijd op dezelfde plaats opslaat, is koppelen een goed alternatief omdat u de koppelingen naar de afbeelding dan sneller en tegen lagere kosten kunt bijwerken en de database niet gigantisch groot wordt.


WeergevenDe methoden voor het opslaan en weergeven van afbeeldingen

In Access kunt u op verschillende manieren afbeeldingen opslaan en weergeven in formulieren en rapporten. De methode die u gebruikt, is van invloed op de grootte van de database en kan ervoor zorgen dat de database trager wordt.

In de volgende tabel staan alle methoden met een beschrijving van de voordelen en nadelen van elke methode.

Methode Voordelen Nadelen

Afbeeldingen lokaal of in een netwerk opslaan. De paden naar de afbeeldingen worden opgeslagen in een tekstveld en VBA-code wordt gebruikt voor het instellen van de eigenschap Afbeelding van het Access-besturingselement voor afbeeldingen.

 Opmerking   Dit is de aanbevolen methode, omdat bij deze methode de minste opslagruimte wordt gebruikt en een groter aantal bestandstypen worden ondersteund.

Beperkt de opslagruimte voor afbeeldingen tot een minimum: alleen de padgegevens worden in een tekstveld opgeslagen. Er kunnen meer typen grafische bestanden (waaronder GIF- en JPEG-bestanden) worden gebruikt dan bij de andere opties.

Als u de afbeeldingen op een netwerkserver opslaat en het netwerk valt uit, worden de koppelingen verbroken. De koppeling wordt ook verbroken als het grafische bestand beschadigd raakt.

Als u deze methode wilt gebruiken, wordt u aangeraden het volgende Microsoft Knowledge Base-artikel te lezen: Hoe afbeeldingen uit een map weer te geven op een formulier, in een rapport of op een Data Access-pagina (Engelstalig).

Afbeeldingen lokaal of in een netwerk opslaan. De koppelingen naar de afbeeldingen worden opgeslagen in een OLE-objectveld en het besturingselement voor afbeeldingen (voor niet-afhankelijke afbeeldingen) of het afhankelijke objectkader worden gebruikt om de afbeeldingen weer te geven.

Zie Afbeeldingen opslaan in een database voor informatie over het opslaan van koppelingen in een tabel.

Zie Afbeeldingen weergeven in formulieren, rapporten en besturingselementen voor informatie over het gebruik van besturingselementen voor afbeeldingen.

Bij deze methode hoeft er geen VBA-programmering te worden gebruikt. U kunt de afbeeldingen lokaal of in een netwerk opslaan.

OLE-koppelingen nemen meer ruimte in de database in, ongeveer 460 kB per koppeling. Bij deze methode kunnen echter minder typen grafische bestanden worden gebruikt en worden JPG-, GIF- en TIFF-bestanden (faxed image) niet standaard ondersteund. Als u de afbeelding op een netwerkserver opslaat en het netwerk valt uit, worden de koppelingen verbroken. De koppelingen worden ook verbroken als u de database of de afbeeldingsbestanden verplaatst of als er een afbeeldingsbestand beschadigd raakt. Bovendien kunt u bij OLE niet meer dan 256 kleuren gebruiken.

Zie Koppelingen en afbeeldingen bijwerken en bewerken voor meer informatie over het herstellen van koppelingen.

Zie voor meer informatie over OLE-objectvelden en de invloed van deze velden op de grootte van de database het gedeelte Waarom er voor OLE extra software nodig is en er bitmapbestanden worden toegevoegd in dit artikel en het Microsoft Knowledge Base-artikel Waarom databases groter worden door OLE-objecten (Engelstalig).

Afbeeldingen insluiten in een OLE-objectveld en het besturingselement voor afbeeldingen (voor niet-afhankelijke afbeeldingen) of het kader voor afhankelijk object gebruiken om afbeeldingen weer te geven.

Zie Afbeeldingen opslaan in een database voor informatie over het opslaan van koppelingen in een tabel.

Zie Afbeeldingen weergeven in formulieren, rapporten en besturingselementen voor informatie over het gebruik van besturingselementen voor afbeeldingen.

VBA-programmering is niet nodig, de afbeelding wordt een integraal onderdeel van de database, de afbeeldingen worden verplaatst wanneer de database wordt verplaatst en de afbeeldingen zijn altijd beschikbaar.

De database kan hierdoor echter veel groter worden. Er kunnen minder typen grafische bestanden worden gebruikt, en JPG-, GIF- en TIFF-bestanden worden niet standaard ondersteund. Als u de originele afbeeldingen bijwerkt, moet u de ingesloten afbeeldingen door de bijgewerkte afbeeldingen vervangen. Bij OLE kunt u niet meer dan 256 kleuren gebruiken.

Zie voor meer informatie over OLE-objectvelden en de invloed van deze velden op de grootte van de database het gedeelte Waarom er voor OLE extra software nodig is en er bitmapbestanden worden toegevoegd in dit artikel en het Microsoft Knowledge Base-artikel Waarom databases groter worden door OLE-objecten (Engelstalig).


WeergevenOndersteunde indelingen van grafische bestanden

Het besturingselement voor afbeeldingen ondersteunt meer typen grafische bestanden dan de kaders voor niet-afhankelijke en afhankelijke objecten:

  • Computer Graphics Metafile (.CGM)
  • CorelDraw (.CDR)
  • Encapsulated PostScript (.EPS)
  • Graphics Interchange Format (.GIF)
  • Icon (.ICO)
  • Joint Photographic Experts Group (JPEG) (.JPG)
  • Macintosh PICT (.PICT)
  • Portable Network Graphics (.PNG)
  • Windows Bitmap (.BMP)
  • WordPerfect Graphic (.WPG)

Sommige bestandstypen worden pas ondersteund als u de grafische filters voor deze typen inschakelt. Zie Grafische filters inschakelen voor het inschakelen van de filters.

De volgende typen grafische bestanden worden alleen door kaders voor afhankelijke en niet-afhankelijke objecten ondersteund als u extra software installeert:

  • Windows Bitmap (.BMP)
  • Device-independent bitmap (.DIB)

Als u met deze besturingselementen andere typen afbeeldingsbestanden wilt weergeven, moet u de programma's installeren die deze bestandstypen ondersteunen. Zie Waarom er voor OLE extra software nodig is en er bitmapbestanden worden toegevoegd voor meer informatie over die extra software.


Back to top  Terug naar boven

Afbeeldingen opslaan in een database

In de volgende gedeelten worden de manieren uitgelegd waarop doorgaans afbeeldingsgegevens in een Access-database worden opgeslagen. Deze methoden werken zowel bij formulieren als bij rapporten. Bij deze procedure wordt als voorbeeld de database Noordenwind BV gebruikt, maar u kunt deze stappen aan uw eigen databases aanpassen.

Afbeeldingen toevoegen aan een tabel

In Access zijn er twee opties waarmee u afbeeldingen aan tabellen kunt toevoegen. U kunt afbeeldingen rechtstreeks in een tabel insluiten of de koppelingen naar de afbeeldingen in de tabel opnemen. Bij beide methoden voert u de volgende stappen uit:

  • Voeg als u dat nog niet hebt gedaan, een OLE-objectveld toe aan een bestaande tabel of maak een nieuwe tabel en voeg daar een OLE-objectveld aan toe.
  • Sluit de afbeeldingsbestanden in het veld in of stel in dit veld een koppeling naar het afbeeldingsbestand in. U bepaalt zelf of u afbeeldingen wilt insluiten of koppelen.

In de volgende gedeelten wordt uitgelegd hoe u deze taken uitvoert.

WeergevenEen OLE-objectveld toevoegen aan een bestaande tabel

  1. Selecteer de tabel in het databasevenster en klik op OntwerpenButton image.
  2. Typ in de eerste lege rij in de ontwerpweergave onder Veldnaam het woord Afbeelding.
  3. Klik in het volgende veld (het veld in de kolom Gegevenstype ) op de pijl die verschijnt, en klik vervolgens op OLE-object in de lijst.
  4. Sla de tabel op.
  5. Sluit de tabel in de ontwerpweergave, open de tabel in de gegevensbladweergave (u opent de tabel door erop te dubbelklikken) en ga naar Afbeeldingen toevoegen (insluiten of koppelen) aan het OLE-objectveld.

WeergevenEen nieuwe tabel met een OLE-objectveld maken

  1. Klik op de balk Objecten in het databasevenster op Tabellen en dubbelklik op Tabel maken in ontwerpweergave. Het ontwerphulpmiddel voor tabellen verschijnt.
  2. Typ in de eerste rij van het ontwerphulpmiddel onder Veldnaam de letters ID .
  3. Klik op het eerste veld onder Gegevenstype, klik op de pijl die verschijnt, en klik vervolgens op AutoNummering in de lijst.
  4. Klik met de rechtermuisknop in de eerste rij en klik vervolgens op Primaire sleutel in het snelmenu. Hiermee wordt het veld ID ingesteld als de primaire sleutel voor de tabel.
  5. Typ in de volgende rij het woord Afbeelding in de kolom Veldnaam en selecteer OLE-object in de lijst in de kolom Gegevenstype .
  6. Sla de tabel op. U kunt de naam gebruiken die door Access wordt voorgesteld, of zelf een naam opgeven.
  7. Sluit de tabel in de ontwerpweergave, open de tabel in de gegevensbladweergave (u opent de tabel door erop te dubbelklikken) en ga naar Afbeeldingen toevoegen (insluiten of koppelen) aan het OLE-objectveld.

WeergevenAfbeeldingen toevoegen (insluiten of koppelen) aan het OLE-objectveld

Bij de stappen in dit gedeelte worden de bestaande of nieuwe tabellen gebruikt die in de vorige gedeelten worden beschreven, plus een aantal afbeeldingsbestanden die onderdeel zijn van Microsoft Office 2003. U kunt echter ook uw eigen tabellen en afbeeldingen gebruiken.

  1. Klik met de rechtermuisknop op het eerste veld in de kolom Afbeelding van de tabel en klik op Object invoegen in het snelmenu.
  2. Selecteer Bestand gebruiken en klik op Bladeren.
  3. Zoek vervolgens een of meer BMP- of DIB-bestanden op. In station:\Program Files\Microsoft Office\OFFICE11\SAMPLES staat een reeks BMP-bestanden (Empid1.bmp tot en met Empid9.bmp). Selecteer de eerste afbeelding en klik op OK.
  4. Als u een afbeelding wilt koppelen, klikt u op Koppelen en vervolgens op OK om de koppeling met de afbeelding tot stand te brengen. Als u een afbeelding in de tabel wilt insluiten, zorgt u ervoor dat het selectievakje Koppelen niet is ingeschakeld en klikt u op OK. In het eerste veld van de kolom Afbeelding in de tabel staat het woord 'Bitmapafbeelding'.

 Opmerking   Als in het OLE-objectveld het woord 'Pakket' staat, probeert u een niet-ondersteund grafisch bestand, zoals GIF of JPEG, te koppelen of in te sluiten. Om dergelijke bestandstypen te kunnen weergeven moet Microsoft Photo Editor opnieuw worden geïnstalleerd. Zie Algemene weergaveproblemen oplossen voor het opnieuw installeren van Microsoft Photo Editor. Zie Waarom er voor OLE extra software nodig is en er bitmapbestanden worden toegevoegd voor de reden waarom u Photo Editor opnieuw moet installeren.

  1. Ga naar de andere velden in de kolom Afbeelding en herhaal stap 2 tot en met 5 totdat u de gewenste afbeeldingen hebt toegevoegd.

Een tabel instellen voor het gebruik van de VBA-code

Als u een groot aantal afbeeldingen nodig hebt omdat er bij elke record een andere afbeelding moet worden weergegeven, kunt u de paden naar en de namen van deze afbeeldingsbestanden in een tekstveld opslaan en vervolgens VBA-code gebruiken om de padgegevens te lezen en de eigenschap Afbeelding van het Access-besturingselement voor afbeeldingen in te stellen. Bij deze methode moet er worden geprogrammeerd, maar wordt er veel minder opslagruimte in de database gebruikt en kunnen er veel meer bestandstypen worden gebruikt dan bij het OLE-objectveld.

In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u een tekstveld aan een tabel toevoegt en de pad- en naamgegevens van een afbeeldingsbestand in dat veld opslaat. Tevens wordt verwezen naar de informatie en voorbeeldcode die u nodig hebt om deze methode te kunnen uitvoeren.

  1. Klik op de balk Objecten op Tabel, selecteer de tabel waaraan u het veld wilt toevoegen, en klik op OntwerpenButton image.
  2. Typ in de eerste lege rij van de ontwerpweergave onder Veldnaam het woord Afbeelding .
  3. Klik op het volgende veld (het veld in de kolom Gegevenstype , klik op de pijl die verschijnt, en klik vervolgens op Tekst in de lijst.
  4. Sla de tabel op.
  5. Volg de instructies in het Microsoft Knowledge Base-artikel:

Afbeeldingen uit een map weergeven op een formulier, in een rapport of op een Data Access-pagina (Engelstalig)

De gebruikers van uw database kunnen de paden naar uw afbeeldingsbestanden bekijken. Verwijder al uw persoonlijke gegevens, zoals uw naam of de naam van uw computer, uit de bestandspaden tenzij u alle gebruikers van de database kunt vertrouwen. U kunt ook met relatieve paden naar afbeeldingen verwijzen.

Als u uw database bijvoorbeeld in een netwerk plaatst, zoals \\Servernaam\Sharenaam\ en uw afbeeldingen opslaat in een map op die share, bijvoorbeeld in \\Servernaam\Sharenaam\Afbeeldingen, hoeft u niet het gehele pad op te geven.

Dus in plaats van dat u \\Servernaam\Sharenaam\Afbeeldingen\Bestandsnaam.gif opgeeft, geeft u alleen het variabele gedeelte van het pad op dat verwijst naar de locatie van het betreffende Access-bestand, in dit geval dus Afbeeldingen\Bestandsnaam.gif.

Back to top  Terug naar boven

Afbeeldingen weergeven in formulieren, rapporten en besturingselementen

In de volgende gedeelten wordt uitgelegd hoe u afbeeldingen aan formulieren, rapporten, knoppen en andere besturingselementen toevoegt. Het uitvoeren van de procedures in deze gedeelten heeft alleen zin als u weet hoe u afbeeldingen moet opslaan en ook weet wanneer u afbeeldingen moet koppelen of insluiten. Zie zo nodig eerst het gedeelte Informatie over het opslaan en weergeven van afbeeldingen.

Niet-afhankelijke afbeeldingen (afbeeldingen die niet veranderen) met behulp van een besturingselement voor afbeeldingen weergeven

Als u een bepaalde afbeelding in alle records van de database of op alle pagina's van een rapport wilt laten weergeven, gebruikt u het besturingselement voor afbeeldingen in plaats van het kader voor een niet-afhankelijk object. Het besturingselement voor afbeeldingen wordt snel geladen en ondersteunt meer grafische bestandsindelingen. Bij deze procedure wordt als voorbeeld de database Noordenwind BV gebruikt, maar u kunt ook uw eigen database gebruiken.

  1. Start Access, open de voorbeelddatabase Noordenwind BV en open het databasevenster.

WeergevenHoe?

  1. Wijs Voorbeelddatabases in het menu Help aan en klik op Voorbeelddatabase Noordenwind.
  2. Als er een venster met een beveiligingswaarschuwing verschijnt, klikt u op Openen.
  3. Klik op OK om het opstartscherm Noordenwind BV te sluiten.
  4. Klik in het Hoofdschakelbord op Databasevenster weergeven.
  1. Nu kunt u een nieuw formulier of rapport maken en er een afbeelding aan toevoegen of u kunt een afbeelding aan een bestaand formulier of rapport toevoegen. In de volgende gedeelten worden beide procedures uitgelegd.

WeergevenEen nieuw formulier maken en er een afbeelding aan toevoegen

  1. Klik op de balk Objecten op Formulieren en dubbelklik op Formulier maken in ontwerpweergave. Er wordt een nieuw formulier geopend, het eigenschappenvenster voor het formulier wordt weergegeven en de werkset wordt geopend. Als de werkset niet verschijnt, klikt u op Werkset in het menu Beeld.
  2. Klik in de werkset op het hulpmiddel Afbeelding Image frame control.
  3. Wijs op het formulier de locatie aan waar u de afdbeelding wilt plaatsen en klik één keer om het besturingselement op het formulier te plaatsen. Het punt waar u hebt geklikt, wordt de linkerbovenhoek van het besturingselement voor afbeeldingen. Het dialoogvenster Afbeelding invoegen verschijnt en in het eigenschappenvenster staan de eigenschappen voor het besturingselement.
  4. Zoek in het dialoogvenster Afbeelding invoegen de afbeelding op die u wilt weergeven. Selecteer die afbeelding en klik op OK.
  5. Klik in het eigenschappenvenster voor de afbeelding op het tabblad Opmaak en stel de eigenschappen voor de afbeelding in. Met bijvoorbeeld de eigenschap Afbeeldingstype stelt u in of u de afbeelding wilt koppelen of insluiten. U kunt het formaat van de afbeelding wijzigen of de afbeelding bijknippen door te klikken op de eigenschap Formaatmodus en een van de volgende instellingen te selecteren.
Instelling Beschrijving
Uitsnede Geeft de afbeelding op werkelijke grootte weer. Als de afbeelding groter is dan het vak van het besturingselement waarin de afbeelding wordt geplaatst, wordt de afbeelding afgekapt.
Kader vullen Past de grootte van de afbeelding aan de grootte van het besturingselement voor afbeeldingen aan. De afbeelding kan afhankelijk van de vorm van het besturingselement worden vervormd.
Kader niet vullen Houdt de hoogte-breedteverhouding van de afbeelding aan, ongeacht de grootte van het besturingselement.
  1.  Opmerking   Als u meer wilt weten over een eigenschap, selecteert u die eigenschap en drukt u op F1.

  2. Stel de andere eigenschappen in, zoals de zichtbaarheid en de randstijl, en klik op OpslaanButton image om de instellingen op te slaan.
  3. Voeg andere besturingselementen toe, zoals lijsten, tekstvakken en subformulieren, en sla uw werk op. U kunt het formulier bekijken door het te sluiten en weer te openen of door in het databasevenster te klikken op OpenenButton image.

WeergevenEen nieuw rapport maken en een afbeelding toevoegen

  1. Klik op de balk Objecten op Rapporten en dubbelklik op Rapport maken in ontwerpweergave. Er wordt een nieuw, leeg rapport geopend.
  2. Klik op Werkset in het menu Beeld.
  3. Klik in de werkset op het hulpmiddel Afbeelding Image frame control.
  4. Wijs in het rapport de locatie aan waar u de afbeelding wilt laten weergeven en klik één keer om het besturingselement op het rapport te plaatsen. U kunt het besturingselement in de koptekst, het detailgedeelte of de voettekst van de rapportpagina plaatsen. Het punt waar u hebt geklikt, wordt de linkerbovenhoek van het besturingselement voor een afbeelding. Het dialoogvenster Afbeelding invoegen verschijnt en in het eigenschappenvenster staan de eigenschappen voor het besturingselement.
  5. Zoek in het dialoogvenster Afbeelding invoegen de afbeelding op die u wilt weergeven. Selecteer die afbeelding en klik op OK.
  6. Klik in het eigenschappenvenster voor de afbeelding op het tabblad Opmaak en stel de eigenschappen voor de afbeelding in. Met bijvoorbeeld de eigenschap Afbeeldingstype stelt u in of u de afbeelding wilt koppelen of insluiten. U kunt het formaat van de afbeelding wijzigen of de afbeelding bijknippen door te klikken op de eigenschap Formaatmodus en een van de volgende instellingen te selecteren.
Instelling Beschrijving
Uitsnede Geeft de afbeelding op werkelijke grootte weer. Als de afbeelding groter is dan het vak van het besturingselement waarin de afbeelding wordt geplaatst, wordt de afbeelding afgekapt.
Kader vullen Past de grootte van de afbeelding aan de grootte van het besturingselement aan. De afbeelding kan afhankelijk van de vorm van het besturingselement worden vervormd.
Kader niet vullen Houdt de hoogte-breedteverhouding van de afbeelding aan, ongeacht de grootte van het besturingselement.
  1.  Opmerking   Als u meer wilt weten over een eigenschap, selecteert u die eigenschap en drukt u op F1.

  2. Stel de andere eigenschappen in, zoals de zichtbaarheid en de randstijl, en klik op OpslaanButton image om de instellingen op te slaan.
  3. Voeg andere besturingselementen toe, zoals lijsten, tekstvakken en subrapporten, en sla uw werk op. U kunt het rapport bekijken door het te sluiten en weer te openen of door op de werkbalk te klikken op AfdrukvoorbeeldButton image.

WeergevenEen afbeelding toevoegen aan een bestaand formulier

  1. Open de voorbeelddatabase Noordenwind BV of uw eigen database en open het databasevenster.
  2. Klik op Formulieren op de balk Objecten, selecteer het formulier dat u wilt wijzigen, en klik op OntwerpenButton image. Het formulier wordt geopend in de ontwerpweergave, het eigenschappenvenster voor het formulier wordt weergegeven en de werkset wordt geopend. Als de werkset niet verschijnt, klikt u op Werkset in het menu Beeld.
  3. Klik in de werksetop het hulpmiddel Afbeelding Image frame control.
  4. Wijs op het formulier de locatie aan waar u de afbeelding wilt plaatsen en klik één keer om het besturingselement op het formulier te plaatsen. Het punt waar u hebt geklikt, wordt de linkerbovenhoek van het besturingselement voor een afbeelding. Het dialoogvenster Afbeelding invoegen verschijnt en in het eigenschappenvenster staan de eigenschappen voor het besturingselement.
  5. Zoek in het dialoogvenster Afbeelding invoegen de afbeelding op die u wilt weergeven. Selecteer die afbeelding en klik op OK.
  6. Klik in het eigenschappenvenster voor de afbeelding op het tabblad Opmaak en stel de eigenschappen voor de afbeelding in. Met bijvoorbeeld de eigenschap Afbeeldingstype stelt u in of u de afbeelding wilt koppelen of insluiten. U kunt het formaat van de afbeelding wijzigen of de afbeelding bijknippen door te klikken op de eigenschap Formaatmodus en een van de volgende instellingen te selecteren.
Instelling Beschrijving
Uitsnede Geeft de afbeelding op werkelijke grootte weer. Als de afbeelding groter is dan het vak van het besturingselement waarin de afbeelding wordt geplaatst, wordt de afbeelding afgekapt.
Kader vullen Past de grootte van de afbeelding aan de grootte van het besturingselement aan. De afbeelding kan afhankelijk van de vorm van het besturingselement worden vervormd.
Kader niet vullen Houdt de hoogte-breedteverhouding van de afbeelding aan, ongeacht de grootte van het besturingselement.
  1.  Opmerking   Als u meer wilt weten over een eigenschap, selecteert u die eigenschap en drukt u op F1.

  2. Stel de andere eigenschappen in, zoals de zichtbaarheid en de randstijl, en klik op OpslaanButton image om de instellingen op te slaan. U kunt het formulier bekijken door het te sluiten en weer te openen of door in het databasevenster te klikken op OpenenButton image .

WeergevenEen afbeelding toevoegen aan een bestaand rapport

  1. Open de voorbeelddatabase Noordenwind BV of uw eigen database en open het databasevenster.
  2. Klik op Rapporten op de balk Objecten, selecteer het rapport dat u wilt wijzigen, en klik op OntwerpenButton image. Het rapport wordt geopend in de ontwerpweergave en de werkset wordt weergegeven. Als de werkset niet verschijnt, klikt u op Werkset in het menu Beeld.
  3. Verplaats indien nodig velden in het rapport om ruimte te maken voor de afbeelding.
  4. Klik in de werksetop het hulpmiddel Afbeelding Image frame control.
  5. Wijs in het rapport de locatie aan waar u de afbeelding wilt laten weergeven en klik één keer om het besturingselement op het rapport te plaatsen. Het punt waar u hebt geklikt, wordt de linkerbovenhoek van het besturingselement voor een afbeelding. Het dialoogvenster Afbeelding invoegen verschijnt en in het eigenschappenvenster staan de eigenschappen voor het besturingselement.
  6. Zoek in het dialoogvenster Afbeelding invoegen de afbeelding op die u wilt weergeven. Selecteer die afbeelding en klik op OK.
  7. Klik in het eigenschappenvenster voor de afbeelding op het tabblad Opmaak en stel de eigenschappen voor de afbeelding in. Met bijvoorbeeld de eigenschap Afbeeldingstype stelt u in of u de afbeelding wilt koppelen of insluiten. U kunt het formaat van de afbeelding wijzigen of de afbeelding bijknippen door te klikken op de eigenschap Formaatmodus en een van de volgende instellingen te selecteren.
Instelling Beschrijving
Uitsnede Geeft de afbeelding op werkelijke grootte weer. Als de afbeelding groter is dan het vak van het besturingselement waarin de afbeelding wordt geplaatst, wordt de afbeelding afgekapt.
Kader vullen Past de grootte van de afbeelding aan de grootte van het besturingselement aan. De afbeelding kan afhankelijk van de vorm van het besturingselement worden vervormd.
Kader niet vullen Behoudt de hoogte-breedteverhouding van de afbeelding, ongeacht de grootte van het besturingselement.
  1.  Opmerking   Als u meer wilt weten over een eigenschap, selecteert u die eigenschap en drukt u op F1.

  2. Stel de andere eigenschappen in, zoals de zichtbaarheid en de randstijl, en klik op OpslaanButton image om de instellingen op te slaan. U kunt het rapport bekijken door het te sluiten en weer te openen (klikken of dubbelklikken) of te klikken op AfdrukvoorbeeldButton image.

Een logo of achtergrondafbeelding (watermerk) toevoegen aan een formulier of rapport

Wanneer u een achtergrondafbeelding of een watermerk toevoegt, liggen de andere besturingselementen boven op de afbeelding. Voor een voorbeeld van een achtergrondafbeelding opent u de voorbeelddatabase Noordenwind BV en vervolgens het formulier Klanten.

  1. Open in de ontwerpweergave het formulier of rapport dat u wilt wijzigen.

WeergevenHoe?

Selecteer in het databasevenster het formulier of rapport waaraan u een achtergrondafbeelding wilt toevoegen, en klik op OntwerpenButton image. Het formulier of rapport wordt in de ontwerpweergave geopend.

  1. Dubbelklik op de formulier- of rapportselector The Access form selector om het eigenschappenvenster voor het formulier of rapport te openen.
  2. Klik op het tabblad Opmaak in het eigenschappenveld Afbeelding op de knop Opbouwfunctie   Button image en zoek in het dialoogvenster Afbeelding invoegen de gewenste afbeelding op.
  3. Geef bij de eigenschap Afbeeldingstype op of u de afbeelding wilt insluiten of koppelen.
  4. Nadat u de afbeelding aan het formulier hebt toegevoegd, klikt u op de eigenschap Formaatmodus en selecteert u een van de volgende waarden.
Instelling Beschrijving
Uitsnede Geeft de afbeelding op werkelijke grootte weer. Als de afbeelding groter is dan het formuliervenster, wordt de afbeelding afgekapt.
Kader vullen Past de grootte van de afbeelding aan het formuliervenster aan. Hierdoor kan de afbeelding vervormd worden weergegeven.
Kader niet vullen Houdt de hoogte-breedteverhouding van de afbeelding aan, ongeacht de grootte van het formulier. De afbeelding wordt niet bijgeknipt noch vervormd weergegeven.
  1.  Opmerking   Als u meer wilt weten over een eigenschap, selecteert u die eigenschap en drukt u op F1.

  2. Als u de uitlijning van de afbeelding wilt wijzigen, klikt u op een van de instellingen bij de eigenschap Afbeeldingsuitlijning .

 Opmerking   Selecteer de instelling Centreren als u de achtergrondafbeelding in het midden van een formulier of rapport wilt plaatsen en de achtergrondafbeelding van grootte moet veranderen wanneer u het formulier- of rapportvenster groter of kleiner maakt. Selecteer de instelling Formulier centreren als u niet wilt dat de grootte van de achtergrondafbeelding verandert wanneer u het venster groter of kleiner maakt.

  1. Als u de achtergrondafbeelding in een tegelpatroon op het formulier of rapport wilt weergeven, stelt u de eigenschap Afbeeldingen naast elkaar in op Ja en de eigenschap Formaatmodus op Uitsnede. Het naast elkaar plaatsen van de afbeelding begint op de positie die u opgeeft bij de eigenschap Afbeeldingsuitlijning .

 Opmerking   De achtergrondafbeelding wordt niet herhaald als u de eigenschap Formaatmodus instelt op Kader niet vullen of Kader vullen.

Afhankelijke afbeeldingen weergeven (steeds een andere afbeelding bij elke record van de database of op elke pagina van een rapport)

In Access kunt u op een aantal manieren afhankelijke afbeeldingen weergeven.  (Afhankelijke afbeeldingen zijn afbeeldingen die u gebruikt wanneer er bij elke record van een database of op elke pagina van een rapport een andere afbeelding moet worden weergegeven.) U kunt:

  • Afbeeldingen insluiten in een databasetabel en weergeven met behulp van het kader voor een afhankelijk object. Dit kost de meeste opslagruimte, maar als u de database om de een of andere reden moet verplaatsen, blijven de afbeeldingen wel beschikbaar.
  • Koppelingen naar afbeeldingen in een databasetabel opslaan en weergeven met behulp van het kader voor een afhankelijk object. Dit kost minder opslagruimte, maar als u afbeeldingen verplaatst of er raken afbeeldingsbestanden beschadigd, worden de koppelingen verbroken.

Bij de eerste twee methoden moet u de afbeeldingsgegevens in een OLE-objectveld opslaan. U kunt alleen BMP- en DIB-bestanden gebruiken. Voor andere bestandstypen moet u extra software installeren. Deze eerste twee methoden zijn makkelijker te implementeren omdat u hiervoor alleen de hulpmiddelen en scherm van Access nodig hebt.

 Opmerking   U kunt met VBA-code via programmering GIF- en JPEG-bestanden in een OLE-objectveld opslaan en vervolgens die bestanden in het besturingselement voor afbeeldingen weergeven. Zie Steeds andere afbeeldingen via programmering toevoegen voor meer informatie.

  • VBA-code gebruiken om via programmering de eigenschappen voor het besturingselement voor afbeeldingen in te stellen. Bij deze methode wordt er heel weinig opslagruimte gebruikt, omdat alleen de bestandsnamen en padgegevens van de afbeelding in een tekstveld in een van de tabellen worden opgeslagen. Een ander voordeel is dat er meer typen grafische bestanden worden ondersteund, omdat u het besturingselement voor afbeeldingen en niet het kader voor een afhankelijk object gebruikt. Voor het implementeren van deze methode is echter enige kennis van programmeren vereist.

In de volgende gedeelten worden de meest gangbare manieren voor het gebruik van elke methode uitgelegd.

 Opmerking   Bij enkele van de volgende gedeelten is een databasetabel met een OLE-objectveld nodig en moeten er BMP- of DIB-bestanden aan dat veld zijn gekoppeld of in dat veld zijn ingesloten. Als u geen tabel hebt waarin afbeeldingen op die manier zijn opgeslagen, voert u de stappen uit die worden beschreven in het volgende gedeelte, 'Een tabel instellen voor het opslaan van afbeeldingsgegevens'.

WeergevenEen tabel instellen voor het opslaan van afbeeldingsgegevens

In deze stappen wordt uitgelegd hoe u een OLE-objectveld aan een bestaande tabel toevoegt of een nieuwe tabel met een OLE-objectveld maakt en vervolgens de afbeeldingen aan dat veld koppelt of in dat veld insluit.

Een OLE-objectveld toevoegen aan een bestaande tabel
  1. Klik in het databasevenster op Tabellen op de balk Objecten, selecteer de tabel waaraan u een OLE-objectveld wilt toevoegen, en klik op OntwerpenButton image om de tabel in de ontwerpweergave te openen. Het hulpmiddel voor het ontwerpen van tabellen verschijnt.
  2. Typ in de eerste lege rij van het ontwerphulpmiddel onder Veldnaam het woord Afbeelding .
  3. Klik in dezelfde rij onder Gegevenstype in de cel, klik vervolgens op de pijl die verschijnt, en klik op OLE-object in de lijst.
  4. Sla de tabel op. U kunt de naam gebruiken die door Access wordt voorgesteld, of zelf een naam opgeven.
  5. Sluit de tabel in de ontwerpweergave, open de tabel in de gegevensbladweergave door te dubbelklikken op de tabel en ga vervolgens naar 'Het besturingselement voor afbeeldingen aan de tabel koppelen' verderop in dit gedeelte.
Een nieuwe tabel maken
  1. Klik op de balk Objecten in het databasevenster op Tabellen en dubbelklik op Tabel maken in ontwerpweergave. Het ontwerphulpmiddel voor tabellen verschijnt.
  2. Typ in de eerste rij van het ontwerphulpmiddel onder Veldnaam de letters ID .
  3. Klik op het eerste veld onder Gegevenstype, klik op de pijl die verschijnt, en klik vervolgens op AutoNummering in de lijst.
  4. Klik met de rechtermuisknop in de eerste rij en klik vervolgens op Primaire sleutel in het snelmenu. Hiermee wordt het veld ID ingesteld als de primaire sleutel voor de tabel.
  5. Typ in de volgende rij het woord Afbeelding in de kolom Veldnaam en selecteer OLE-object in de lijst in de kolom Gegevenstype .
  6. Sla de tabel op. U kunt de naam gebruiken die door Access wordt voorgesteld, of zelf een naam opgeven.
  7. Sluit de tabel in de ontwerpweergave, open de tabel in de gegevensbladweergave (u opent de tabel door erop te dubbelklikken) en ga verder met de volgende stappen.
Afbeeldingen toevoegen aan een tabel
  1. Klik met de rechtermuisknop op het eerste veld in de kolom Afbeelding van de tabel en klik vervolgens op Object invoegen in het snelmenu.
  2. Selecteer Bestand gebruiken en klik op Bladeren.
  3. Zoek vervolgens een of meer BMP-bestanden op. Er staan een aantal BMP-bestanden in station:\Program Files\Microsoft Office\OFFICE11\SAMPLES. Dat zijn de bestanden EMPID1.BMP tot en met EMPID9.BMP. Selecteer het eerste bestand en klik op OK.
  4. Als u een afbeelding wilt koppelen, klikt u op Koppelen en vervolgens op OK om de koppeling met de afbeelding tot stand te brengen. Als u een afbeelding in de tabel wilt insluiten, zorgt u ervoor dat het selectievakje Koppelen niet is ingeschakeld en klikt u op OK. Het woord Bitmapafbeelding staat in het eerste veld van de kolom Afbeeldingen van de tabel.

 Opmerking   Als in het veld het woord 'Pakket' staat, probeert u een niet-ondersteund grafisch bestand te koppelen of in te sluiten. Bij de kaders voor afhankelijke en niet-afhankelijke objecten kunnen alleen BMP- en DIB-bestanden worden gebruikt, tenzij u een bepaald softwareprogramma installeert dat het gebruik van andere bestandstypen bij deze kaders mogelijk maakt. Zie Waarom er voor OLE extra software nodig is en er bitmapbestanden worden toegevoegd voor meer informatie over het gebruik van objectkaders bij andere bestandsindelingen. Zie Algemene weergaveproblemen oplossen voor het oplossen van pakketproblemen.

  1. Ga naar het tweede veld in de kolom Afbeelding en herhaal stap 2 tot en met 5 totdat u de afbeeldingen aan de tabel hebt gekoppeld.

WeergevenMet de formulierwizard een nieuw formulier maken waarop afbeeldingen worden weergegeven

Met de formulierwizard van Access kunt u op een snelle en gemakkelijke manier een formulier met afbeeldingen maken die verwijzen naar de records in de database. Bij deze procedure wordt de voorbeelddatabase Noordenwind BV gebruikt, maar u kunt ook uw eigen database gebruiken en deze stappen naar eigen inzicht aanpassen.

  1. Open eerst de voorbeelddatabase Noordenwind BV en vervolgens het databasevenster.

WeergevenHoe?

  1. Wijs Voorbeelddatabases in het menu Helpaan en klik op Voorbeelddatabase Noordenwind.
  2. Als er een venster met een beveiligingswaarschuwing verschijnt, klikt u op Openen.
  3. Klik op OK om het opstartscherm van Noordenwind BV te sluiten.
  4. Klik op het Hoofdschakelbord op Databasevenster weergeven.
  1. Klik Formulieren op de balk Objecten en dubbelklik op Formulier maken met wizard.
  2. Selecteer in het eerste venster van de wizard de tabel met de afbeeldingsgegevens. Verplaats vervolgens het OLE-objectveld (het veld waarin de afbeeldingsgegevens staan) van de lijst Beschikbare velden naar de lijst Geselecteerde velden en klik vervolgens op Volgende.
  3. Herhaal deze stap zo vaak als nodig is om de andere velden aan het formulier toe te voegen.
  4. Selecteer in de andere vensters van de wizard een opmaak, stijl en naam voor het formulier en klik op Voltooien.

Het formulier wordt vervolgens gemaakt, er wordt een kader voor een afhankelijk object aan toegevoegd, het kader wordt aan het OLE-objectveld in de tabel gekoppeld en het formulier wordt geopend. Als u door de records bladert, wordt er telkens een andere afbeelding weergegeven.


WeergevenMet de rapportwizard een nieuw rapport maken waarin afbeeldingen worden weergegeven

Met de rapportwizard van Access kunt u op een snelle en gemakkelijke manier een rapport met afbeeldingen maken die verwijzen naar de pagina's van dat rapport. Bij deze procedure wordt de voorbeelddatabase Noordenwind BV gebruikt, maar u kunt ook uw eigen database gebruiken en deze stappen naar eigen inzicht aanpassen.

  1. Open eerst de voorbeelddatabase Noordenwind BV en vervolgens het databasevenster.

WeergevenHoe?

  1. Wijs in het menu Help de optie Voorbeelddatabases aan en klik op Voorbeelddatabase Noordenwind.
  2. Als er een venster met een beveiligingswaarschuwing verschijnt, klikt u op Openen.
  3. Klik op OK om het opstartscherm van Noordenwind BV te sluiten.
  4. Klik op het Hoofdschakelbord op Databasevenster weergeven.
  1. Klik op Rapporten op de balk Objectenen dubbelklik op Rapport maken met wizard.
  2. Selecteer in het eerste venster van de wizard de tabel of query die voor de afbeeldingsgegevens zorgt. Verplaats vervolgens het OLE-objectveld (het veld waarin de afbeeldingsgegevens staan) van de lijst Beschikbare velden naar de lijst Geselecteerde velden en klik op Volgende.
  3. Herhaal deze stap zo vaak als nodig is om de andere velden aan het rapport toe te voegen.
  4. Selecteer in de andere vensters van de wizard een opmaak, stijl en naam voor het rapport en klik op Voltooien.

Het rapport wordt vervolgens gemaakt, er wordt een kader voor een afhankelijk object aan toegevoegd, het kader wordt aan het OLE-objectveld in de tabel gekoppeld en het rapport wordt geopend. Als u door de pagina's bladert, wordt er telkens een andere afbeelding weergegeven.


WeergevenHandmatig een formulier maken waarin steeds andere afbeeldingen worden weergegeven

  1. Als u geen databasetabel met een OLE-objectveld hebt waarin de afbeeldingsgegevens zijn opgeslagen, voert u de stappen uit die worden beschreven in het gedeelte 'Een tabel instellen voor het opslaan van afbeeldingsgegevens' eerder in dit artikel.
  2. Klik in het databasevenster op Formulierenen dubbelklik op Formulier maken in ontwerpweergave. Er wordt een nieuw, leeg formulier geopend en de werkset en het eigenschappenvenster voor het nieuwe formulier verschijnen.
  3. Klik in het eigenschappenvenster voor het nieuwe formulier op het tabblad Gegevens , klik op de eigenschap Recordbron en selecteer de tabel waarin de afbeeldingen staan. De lijst Veld verschijnt Button image.
  4. Sleep het OLE-objectveld waarin de afbeeldingen zijn opgeslagen, van de lijst Veld naar het formulier. Plaats de linkerbovenhoek van het pictogram daar waar u de afbeeldingen wilt laten weergeven, en laat vervolgens de muisknop los.
  5. Sla het formulier op, sluit het en open het om het te bekijken.

WeergevenHandmatig een rapport maken waarin steeds andere afbeeldingen worden weergegeven

  1. Als u geen databasetabel met een OLE-objectveld hebt waarin de afbeeldingsgegevens zijn opgeslagen, voert u de stappen uit die worden beschreven in het gedeelte 'Een tabel instellen voor het opslaan van afbeeldingsgegevens' eerder in dit artikel.
  2. Klik in het databasevenster op Rapporten en dubbelklik op Rapport maken in ontwerpweergave. Er wordt een nieuw, leeg rapport gemaakt.
  3. Dubbelklik op de rapportselector The Access form selector om het eigenschappenvenster voor het rapport te openen.
  4. Klik in het eigenschappenvenster op het tabblad Gegevens , klik op de eigenschap Recordbron en selecteer de tabel waarin de afbeeldingen staan. De lijst Veld verschijnt Button image.
  5. Sleep het OLE-objectveld waarin de afbeeldingen zijn opgeslagen, van de lijst Veld naar het rapport. Plaats de linkerbovenhoek van het pictogram daar waar u de afbeeldingen wilt laten weergeven, en laat vervolgens de muisknop los. Hiermee wordt er automatisch een kader voor een afhankelijk object in het rapport geplaatst. U kunt het kader in elk gedeelte van het rapport plaatsen.
  6. Voeg de andere velden aan het rapport toe, sla het rapport op, sluit het en open het om het te bekijken.

WeergevenAndere afbeeldingen toevoegen aan een bestaand formulier

De procedure voor het toevoegen van andere afbeeldingen aan een bestaand formulier bestaat ruwweg uit de volgende stappen:

  • Voeg indien nodig een OLE-objectveld toe aan de tabel waaruit de gegevens voor het formulier worden gehaald. U kunt in dat veld de afbeeldingen koppelen of insluiten. Zie 'Een tabel instellen voor het opslaan van afbeeldingsgegevens' eerder in dit artikel voor informatie over het toevoegen van een OLE-objectveld.
  • Als de recordbron voor het formulier een query in plaats van een tabel is, voegt u het OLE-objectveld toe aan de betreffende tabel, voegt u afbeeldingen aan dat veld toe en wijzigt u de query om de afbeeldingen op te halen.

WeergevenHoe wijzig ik een query?

 Opmerking   Het wijzigen van een query verschilt per type query en de ingewikkeldheid van de query. Daarom wordt alleen het basisprincipe van het toevoegen van velden aan een query besproken. Zie de koppelingen aan het einde van dit gedeelte voor verwijzingen naar informatie over het maken en wijzigen van query's.

  1. Klik in het databasevenster op de balk Objecten op Query's, selecteer de query die u wilt wijzigen, en klik op OntwerpenButton image om de query in het query-ontwerpraster te openen.
  2. Klik op Tabel weergevenButton image op de werkbalk.
  3. Klik in het dialoogvenster Tabel weergeven op het tabblad Tabellen , selecteer de tabel waarin de afbeeldingsgegevens staan, klik op Toevoegen en vervolgens op Sluiten.
  4. Dubbelklik in het query-ontwerpraster op het veld waarin de afbeeldingsgegevens staan. Het nieuwe veld zou nu in het ontwerpraster moeten staan. Zie de volgende afbeelding van het veld in een voorbeeldquery dat afbeeldingsgegevens retourneert.

A sample query that returns image data

  1. Klik op OpslaanButton image om de query op te slaan.

WeergevenIk heb meer informatie nodig!

Zie voor meer informatie over het maken en wijzigen van query's de volgende artikelen op Microsoft Office Online:

  • Nadat u een andere gegevensbron hebt gekozen, voegt u een kader voor een afhankelijk object aan het formulier of rapport toe en koppelt u het kader aan de tabel of de query.

WeergevenHoe?

  1. Klik in het databasevenster op de balk Objecten op Formulieren of Rapporten. Selecteer vervolgens het formulier of rapport dat u wilt wijzigen, en klik op OntwerpenButton image . De lijst Veld verschijnt Button image.
  2. Sleep het OLE-objectveld met de afbeeldingsgegevens vanuit de lijst naar het formulier of rapport. Plaats de linkerbovenhoek van het pictogram daar waar u de afbeeldingen wilt laten weergeven, en laat vervolgens de muisknop los.
  3. Sla het formulier of rapport op en klik op Openen (als u het formulier wilt openen) of op Afdrukvoorbeeld (als u het rapport wilt openen) om de wijzigingen te bekijken.

 Opmerking   Als u de locaties van de afbeeldingsbestanden in een tekstveld wilt opslaan, hebt u voor het weergeven van de afbeeldingen VBA-programmering nodig. Zie het volgende gedeelte, 'Steeds andere afbeeldingen via programmering toevoegen', voor meer informatie over het op die manier weergeven van afbeeldingen.


WeergevenSteeds andere afbeeldingen via programmering toevoegen

 Opmerking   De koppeling in dit gedeelte brengt u naar de voorbeeldcode waarmee de eigenschap Afbeelding van het Access-besturingselement voor afbeeldingen wordt ingesteld.

Dit is de aanbevolen methode voor het opslaan en weergeven van afhankelijke afbeeldingen, omdat er zo meer typen grafische bestanden kunnen worden gebruikt en er minder opslagruimte nodig is.

Als u deze methode wilt gebruiken, moet u de paden en bestandsnamen van de afbeeldingen in een tekstveld in een tabel opslaan. Zie Een tabel instellen voor het gebruik van de VBA-code eerder in dit artikel voor meer informatie over het toevoegen van een tekstveld aan een tabel en voor de instructies en voorbeeldcode die nodig zijn om deze methode te kunnen gebruiken.

Nadat u die taak hebt uitgevoerd, gebruikt u de VBA-code om de eigenschap Afbeelding van het besturingselement voor afbeeldingen in te stellen en de afbeelding weer te geven. Zie voor een voorbeeld hiervan het formulier Werknemers van de voorbeelddatabase Noordenwind BV. Zie het Microsoft Knowledge Base-artikel Afbeeldingen uit een map weergeven in een formulier, rapport of Data Access-pagina (Engelstalig) voor informatie en een voorbeeldcode die u kunt aanpassen.

 Opmerking   U kunt via programmering GIF- en JPEG-gegevens in een OLE-objectveld lezen en vervolgens de eigenschap Afbeelding van het besturingselement voor afbeeldingen instellen. Dit kost echter veel opslagruimte. Zie het Microsoft Knowledge Base-artikel ACC: Binary Large Objects (BLOB's) lezen, opslaan en schrijven (Engelstalig) voor informatie en een voorbeeld van een code.


Een afbeelding toevoegen aan een knop of een ander besturingselement

Door een afbeelding in plaats van tekst op een opdrachtknop te plaatsen kan een taak vaak sneller worden uitgevoerd. Afbeeldingen en pictogrammen slechten de taalbarrière en brengen de bedoeling of implicatie van het uitvoeren van een taak beter over dan alleen maar tekst.

  1. Open het formulier of rapport in de ontwerpweergave.

WeergevenHoe?

Selecteer in het databasevenster het formulier of rapport dat u wilt openen, en klik op OntwerpenButton image.

  1. Klik op de opdracht- of wisselknop waarop u de afbeelding wilt plaatsen, en klik op EigenschappenButton image op de werkbalk om het eigenschappenvenster van de knop te openen. U kunt dit venster ook openen door met de rechtermuisknop op de opdracht of knop te klikken en vervolgens op Eigenschappen in het snelmenu te klikken.
  2. Klik op het tabblad Opmaak en typ in het vak bij de eigenschap Afbeelding het pad en de bestandsnaam van een BMP-, ICO- of DIB-bestand. Als u het pad of de naam van het bestand niet kent, klikt u op de knop Opbouwfunctie   Button image om de Opbouwfunctie voor afbeeldingen te openen.
  3. Selecteer een afbeelding in de lijst in de Opbouwfunctie voor afbeeldingen of klik op Bladeren als u een andere afbeelding wilt gebruiken. Als u een afbeelding in de lijst in de Opbouwfunctie voor afbeeldingen selecteert, klikt u op OK. Als u eerst een afbeelding opzoekt en die selecteert, klikt u op Openen en vervolgens op OK.

 Opmerking   Wanneer u een afbeelding aan een knop of opdracht toevoegt, wordt de tekst of het opschrift op de knop of bij de opdracht door de afbeelding vervangen.

WeergevenTip

Als na het uitvoeren van deze stappen de afbeelding er niet goed uitziet, probeert u de volgende oplossing. Voeg op de plaats van de knop in het formulier of rapport een kader voor een niet-afhankelijk object toe en sluit vervolgens de afbeelding in dat kader in. Maak de afbeelding even groot als de knop en plaats tot slot een transparante knop over de afbeelding.

Back to top  Terug naar boven

Koppelingen en afbeeldingen bijwerken en bewerken

Als u koppelingen naar afbeeldingen maakt en vervolgens de database of de afbeeldingen verplaatst, moet u die koppelingen bijwerken. In de volgende gedeelten wordt uitgelegd hoe u koppelingen naar afbeeldingen in kaders voor afhankelijke en niet-afhankelijke objecten bijwerkt, koppelingen naar achtergrondafbeeldingen bijwerkt en koppelingen naar afbeeldingen bijwerkt die worden weergegeven met behulp van het besturingselement voor afbeeldingen.

Ook wordt in deze gedeelten uitgelegd hoe u afbeeldingen vanuit Access bewerkt. Als u afbeeldingen met behulp van een besturingselement voor afbeeldingen weergeeft en het programma waarmee die afbeeldingen zijn gemaakt, staat op dezelfde computer als de database, kunt u dat programma vanuit Access starten en vervolgens de afbeeldingen bewerken.

WeergevenEen koppeling naar een afbeelding in een kader voor een afhankelijk of niet-afhankelijk object bijwerken

  1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Als u niet-afhankelijke afbeeldingen wilt bijwerken, selecteert u in het databasevenster het formulier of rapport waarin het kader voor een niet-afhankelijk object staat, en klikt u vervolgens op OntwerpenButton image.
    • Als u afhankelijke afbeeldingen wilt bijwerken, opent u het formulier of rapport (of de onderliggende tabel in de gegevensbladweergave), zoekt u de afbeeldingskoppeling op die u wilt wijzigen, en klikt u op die koppeling.
  2. Klik op OLE/DDE-koppelingen in het menu Bewerken.
  3. Klik in het dialoogvenster Koppelingen op de koppeling die u opnieuw wilt verbinden of die u wilt wijzigen.
  4. Klik op Bron wijzigen.
  5. Selecteer in het dialoogvenster Bron wijzigen de nieuwe bestandsnaam. Het kan zijn dat het bestand op een ander station of in een andere map staat.
  6. Klik op Openen om de koppeling tot stand te brengen en het dialoogvenster Bron wijzigen te sluiten en klik vervolgens op Sluiten in het dialoogvenster Koppelingen .

 Opmerking   Wanneer u een koppeling voor een kader voor een afhankelijk object wijzigt, wijzigt u alleen de koppeling voor de huidige record. Als u een wijziging in een andere record wilt doorvoeren, moet u eerst die record opzoeken en vervolgens de hele procedure uitvoeren.


WeergevenEen koppeling bijwerken naar een achtergrondafbeelding of een afbeelding die wordt weergegeven met behulp van het besturingselement voor afbeeldingen

  1. tem>Selecteer in het databasevenster het formulier of rapport waarin de achtergrondafbeelding of het besturingselement voor een afbeelding staat, en klik op OntwerpenButton image.
  2. U kunt het eigenschappenvenster op een van de volgende manieren openen:
    • Dubbelklik in een formulier of rapport op respectievelijk de formulier- of rapportselector The Access form selector.
    • Bij het besturingselement voor een afbeelding klikt u met de rechtermuisknop op het besturingselement en klikt u vervolgens op Eigenschappen in het snelmenu. U kunt ook klikken op EigenschappenButton image op de werkbalk Rapportontwerp .
  3. Geef bij de eigenschap Afbeelding het pad naar de afbeelding op.

Afbeeldingen vanuit Access bewerken

Als op de computer waarop de database staat, het grafische programma is geïnstalleerd waarmee de afbeeldingen zijn gemaakt, en dat grafische programma kan vanuit Access worden gestart, kunt u de afbeeldingen vanaf het formulier bewerken. Weet u niet of het grafische programma vanuit Access kan worden gestart, dan kunt u dit aan de hand van de stappen in dit gedeelte uitzoeken en proberen of u een afhankelijke of niet-afhankelijke afbeelding kunt bewerken.

 Opmerking   Als u ingesloten afbeeldingen bewerkt, wordt op deze manier slechts één instantie van de afbeelding bewerkt. De oorspronkelijke afbeelding verandert hierbij niet. Hebt u een afbeelding dus meerdere malen ingesloten, dan zult u even zoveel keren de afbeelding moeten wijzigen.

WeergevenEen niet-afhankelijke afbeelding bewerken

  1. Selecteer in het databasevenster het formulier waarop het besturingselement voor afbeeldingen staat, en klik op OntwerpenButton image.
  2. Dubbelklik op het object.
  3. Het programma wordt geopend waarmee de afbeelding is gemaakt (het OLE-bron (OLE-server: een toepassing of bibliotheek die een gekoppeld of ingesloten OLE-object aan een andere toepassing levert. Als een OLE-object in een Access-database bijvoorbeeld een Excel-werkblad bevat, is Excel de OLE-server.) programma), mits dat programma op de computer is geïnstalleerd.

 Opmerking   Wanneer u dubbelklikt op een audio- of video-object, wordt dat object in Access afgespeeld. Als u dergelijke objecten wilt bewerken, klikt u op het object en vervolgens op de betreffende opdracht Object in het menu Bewerken , bijvoorbeeld de opdracht Mediafragmentobject . Vervolgens klikt u op de opdracht Openen of Bewerken .

  1. Breng de gewenste wijzigingen aan en ga dan als volgt te werk:
    • Als u het object intern bewerkt, klikt u buiten het kader voor een niet-afhankelijk object op het formulier. Kies niet de opdracht Afsluiten in het menu Bestand omdat u hiermee Access afsluit.
    • Als u het object in een afzonderlijk venster bewerkt, klikt u op Afsluiten in het menu Bestand van het grafische programma. Klik op OK wanneer wordt gevraagd het object bij te werken.

WeergevenEen afhankelijke afbeelding op een formulier of in een gegevensblad bewerken

  1. Open het formulier in de formulierweergave of open een gegevensblad (gegevensblad: gegevens uit een tabel, formulier, query, weergave of opgeslagen procedure, weergegeven in rij- en kolomindeling.).
  2. Ga naar de record met het object dat u wilt bewerken, en dubbelklik op dat object.

Het grafische programma wordt geopend waarmee de afbeelding is gemaakt (het OLE-bron (OLE-server: een toepassing of bibliotheek die een gekoppeld of ingesloten OLE-object aan een andere toepassing levert. Als een OLE-object in een Access-database bijvoorbeeld een Excel-werkblad bevat, is Excel de OLE-server.) programma), mits dat programma op de computer is geïnstalleerd. De toepassing kan in een eigen venster worden geopend of u kunt het object intern bewerken (activering ter plaatse: activering van de OLE-server van een OLE-object vanuit een veld of besturingselement. U kunt bijvoorbeeld een bestand met geluidsgolven (.wav), dat is opgenomen in een besturingselement, afspelen als u dubbelklikt op het besturingselement.).

 Opmerking   Wanneer u dubbelklikt op een audio- of video-object, wordt dat object in Access afgespeeld. Als u dergelijke objecten wilt bewerken, klikt u op het object en vervolgens op de betreffende opdracht Object in het menu Bewerken , bijvoorbeeld de opdracht Mediafragmentobject . Vervolgens klikt u op de opdracht Openen of Bewerken .

  1. Breng gewenste wijzigingen aan en ga dan als volgt te werk:
    • Als u het object op het formulier bewerkt, klikt u buiten het kader voor een niet-afhankelijk object op het formulier. Als u op Bewerken in het menu Bestand klikt, wordt Access afgesloten.
    • Als u het object in een afzonderlijk venster bewerkt, klikt u op Afsluiten in het menu Bestand van het grafische programma. Klik op OK wanneer wordt gevraagd de afbeelding bij te werken.

WeergevenBepalen hoe een afbeelding voor bewerking wordt geactiveerd

  1. Selecteer het formulier in het databasevenster en klik op OntwerpenButton image.
  2. Klik met de rechtermuisknop op het objectkader (afhankelijk of niet-afhankelijk) en klik vervolgens op Eigenschappen in het snelmenu. U kunt ook klikken op Eigenschappen op de werkbalkButton image.
  3. Ga op een van de volgende manieren te werk:

Met de eigenschap AutoActiveren kunt u instellen of het object wordt geactiveerd door erop te dubbelklikken of door het te selecteren. Klik voor meer informatie in het vak van de eigenschap AutoActiveren en druk op F1.

U kunt opgeven of het object intern (activering ter plaatse: activering van de OLE-server van een OLE-object vanuit een veld of besturingselement. U kunt bijvoorbeeld een bestand met geluidsgolven (.wav), dat is opgenomen in een besturingselement, afspelen als u dubbelklikt op het besturingselement.) of in een afzonderlijk venster wordt bewerkt door de eigenschap Bewerking in te stellen. Klik voor meer informatie in het vak van de eigenschap Bewerking en druk op F1.


Afbeeldingen alleen-lezen maken

Om te voorkomen dat de afbeeldingen door anderen worden bewerkt kunt u:

  • Het kader voor het afhankelijke of niet-afhankelijke object vergrendelen. Zo kan het grafische programma waarmee de afbeelding is gemaakt, niet meer worden gestart.
  • Het kader voor een afhankelijk object naar een besturingselement voor afbeeldingen converteren. Het grafische programma waarmee de afbeeldingen zijn gemaakt, kan dan niet meer worden gestart.

WeergevenEen kader voor afhankelijke of niet-afhankelijke objecten vergrendelen

  1. Selecteer het formulier of rapport in het databasevenster en klik op OntwerpenButton image.
  2. Als het eigenschappenvenster voor het objectkader niet wordt weergegeven, klikt u met de rechtermuisknop op het kader en klikt u vervolgens op Eigenschappen in het snelmenu. U kunt ook klikken op EigenschappenButton image op de werkbalk Formulierontwerp of Rapportontwerp .
  3. Stel de eigenschap Vergrendeld in op Ja en de eigenschap Ingeschakeld op Nee.

WeergevenEen kader voor een niet-afhankelijk object converteren naar een besturingselement voor afbeeldingen

  1. Selecteer in het databasevenster het formulier of rapport met het objectkader en klik op OntwerpenButton image.
  2. Klik op het objectkader.
  3. Wijs Wijzigen in in het menu Opmaak aan en klik op Afbeelding.
  4. Klik op Ja om de wijziging te bevestigen.

Het kader voor niet-afhankelijk object wordt geconverteerd naar een besturingselement voor afbeeldingen. Het object blijft op het formulier staan, maar u kunt de toepassingen waarmee de afbeelding is gemaakt, niet meer vanaf het formulier openen. Als u het kader gebruikt voor het afspelen van een geluidsbestand, blijft alleen het pictogram op het formulier staan. Gebruikt u het kader voor het afspelen van een videobestand, dan blijft alleen het eerste beeldje van de video op het formulier staan. U kunt het geluids- of videobestand niet meer afspelen.


Gewijzigde afbeeldingen bijwerken

Wanneer u een koppeling met een afbeelding maakt en vervolgens die afbeelding wijzigt, kunt u in bepaalde omstandigheden opgeven of de afbeelding automatisch of alleen op uw verzoek wordt weergegeven. In de volgende tabel staan de algemene besturingselementen voor afbeeldingen en wordt aangegeven wat u moet doen om de bijgewerkte afbeelding te kunnen zien.

Besturingselement Standaardwerking De werking wijzigen
Besturingselement voor afbeeldingen De wijzigingen worden weergegeven wanneer u het formulier opent waarop het besturingselement staat. N.v.t. De wijzigingen worden weergegeven wanneer u het formulier opent waarop het besturingselement staat.
Kader voor afhankelijk object De wijzigingen worden weergegeven wanneer u het formulier opent waarop het besturingselement staat.
  1. Selecteer in het databasevenster het formulier waarop het besturingselement staat, en klik op OntwerpenButton image.
  2. Klik met de rechtermuisknop op het besturingselement en klik vervolgens op Eigenschappen in het snelmenu om het eigenschappenvenster voor dat besturingselement te openen.
  3. Wijzig de eigenschap Bijwerkopties van Automatisch in Handmatig.

Nadat u die eigenschap hebt gewijzigd, moet u op de afbeelding of het besturingselement klikken om de wijzigingen te kunnen zien.

Kader voor niet-afhankelijk object Geeft de afbeelding weer zoals die is ingevoegd, zonder de eventuele latere wijzigingen.
  1. Selecteer in het databasevenster het formulier waarop het besturingselement staat, en klik op OntwerpenButton image.
  2. Klik met de rechtermuisknop op het besturingselement en klik vervolgens op Eigenschappen in het snelmenu om het eigenschappenvenster voor dat besturingselement te openen.
  3. Wijzig de eigenschap Vergrendeld van Ja in Nee.

De afbeeldingen worden nu automatisch bijgewerkt wanneer u het formulier met het besturingselement opent.

Afbeeldingen verwijderen

Als u een afbeelding aan een formulier of besturingselement kunt toevoegen, kunt u die afbeelding ook verwijderen. In de volgende gedeelten wordt dit uitgelegd.

WeergevenEen afbeelding verwijderen uit een objectkader of een besturingselement voor afbeeldingen

U verwijdert niet-afhankelijke afbeeldingen op een andere manier dan afhankelijke afbeeldingen.

Niet-afhankelijke afbeeldingen verwijderen
  1. Selecteer in het databasevenster het formulier waarop het besturingselement voor afbeeldingen of een kader voor een niet-onafhankelijk object staat, en klik op OntwerpenButton image.
  2. Klik op het besturingselement of kader en druk op de toets DELETE.
Afhankelijke afbeeldingen verwijderen
  1. Open het formulier waarop het kader voor afhankelijke afbeeldingen staat, in de formulierweergave (formulierweergave: een weergave waarin u formuliergegevens kunt bekijken of invoeren. De formulierweergave is het belangrijkste hulpmiddel voor het toevoegen of wijzigen van gegevens in tabellen. U kunt in deze weergave ook het ontwerp van het formulier wijzigen.) (of open een gegevensblad).
  2. Zoek de record op die u wilt wijzigen, klik op de afbeelding (of het kader als dat zichtbaar is) en druk op DELETE.
  3. De afbeelding wordt uit het kader verwijderd en de afbeeldingsgegevens worden uit de onderliggende recordbron verwijderd, maar het objectkader blijft op het formulier staan. Als u het kader wilt verwijderen, opent u het formulier of rapport in de ontwerpweergave, klikt u op het besturingselement en drukt u op DELETE.

Als u eerst het objectkader verwijdert en dan de afbeelding, blijft die afbeelding in de onderliggende tabel staan. Als u ook de afbeeldingsgegevens wilt verwijderen, opent u de tabel in de ontwerpweergave en verwijdert u de afbeelding of het OLE-objectveld waarin de afbeeldingen staan.


WeergevenEen achtergrondafbeelding verwijderen

  1. Selecteer het formulier in het databasevenster en klik op OntwerpenButton image.
  2. Dubbelklik op de formulier- of rapportselector The Access form selector om het eigenschappenvenster te openen.
  3. Wis de instelling bij de eigenschap Afbeelding .

WeergevenEen afbeelding van een knop of een ander besturingselement verwijderen

  1. Selecteer het formulier in het databasevenster en klik opOntwerpenButton image.
  2. Klik met de rechtermuisknop op de knop waarvan u de afbeelding wilt verwijderen, en klik op Eigenschappen in het snelmenu om het eigenschappenvenster voor dat besturingselement te openen.
  3. Wis de instelling bij de eigenschap Afbeelding en klik op een ander veld in het eigenschappenvenster om de wijziging door te voeren. Wanneer wordt gevraagd of de instelling moet worden verwijderd, klikt u op Ja.

Algemene weergaveproblemen oplossen

WeergevenWat te doen wanneer bestandsnamen in plaats van de afbeeldingen worden weergegeven in formulieren en rapporten

Soms worden de namen van de afbeeldingsbestanden in plaats van de afbeeldingen zelf weergegeven. Als er bestandsnamen worden weergegeven in een kader voor een afhankelijk of niet-afhankelijk object, moet u een bepaald softwareprogramma installeren. Staan er bestandsnamen in het besturingselement voor afbeeldingen, dan moet u een of meer grafische filters inschakelen.

Dit probleem doet zich voor omdat er bij objectkaders een technologie, OLE genaamd, wordt gebruikt. Met deze techniek kunt u bijvoorbeeld een Microsoft Excel-werkblad in een Microsoft Word-document of een Microsoft PowerPoint-dia in een Microsoft Visio-diagram weergeven. OLE werkt alleen als er een serverprogramma is geïnstalleerd. Stel dat u een Excel-werkblad in een Word-document wilt insluiten. Wanneer u dat document opent, wordt dat werkblad niet door Word weergegeven, maar door Excel. Excel fungeert hier als het OLE-bronprogramma.

Zo zijn kaders voor afhankelijke en niet-afhankelijke objecten voor het weergeven van afbeeldingsbestanden (met uitzondering van BMP- en DIB-bestanden) op dezelfde manier afhankelijk van OLE-bronprogramma's. In de vorige versies van Office zat het programma Microsoft Photo Editor, dat het OLE-bronprogramma leverde dat nodig was om in objectkaders GIF-en JPEG-bestanden te kunnen weergeven. In Microsoft Office 2003 is Photo Editor vervangen door het programma Microsoft Picture Manager, dat helaas niet over het benodigde OLE-bronprogramma voor het weergeven van deze typen bestanden beschikt.

U kunt dit probleem op diverse manieren oplossen:

  • Converteer uw GIF- of JPEG-afbeeldingen naar BMP-bestanden. Ondanks dat BMP-bestanden doorgaans groter zijn dan GIF- of JPEG-bestanden, wordt de database niet veel groter omdat er geen DIB-bestanden ter ondersteuning van de BMP-bestanden hoeven te worden gemaakt. Zie het Microsoft Knowledge Base-artikel Waarom databases groter worden door OLE-objecten (Engelstalig) voor de reden waarom er DIB-bestanden worden gemaakt wanneer u GIF- of JPEG-bestanden gebruikt.
  • Als u de installatie-cd-rom van Microsoft Office 2000 of Office XP hebt, kunt u Photo Editor opnieuw installeren. In de volgende gedeelten wordt uitgelegd hoe u Photo Editor opnieuw installeert.

WeergevenPhoto Editor opnieuw installeren vanuit Office XP

  1. Start Setup vanaf de cd-rom met de installatiebestanden. Als het installatieprogramma niet automatisch wordt gestart, kunt u dat programma vanuit de Windows Verkenner starten door te dubbelklikken op het bestand Setup.exe op de cd-rom.
  2. Voer de productcode (en eventueel uw initialen) in en klik op Volgende.
  3. Accepteer de voorwaarden van de gebruiksrechtovereenkomst en klik op Volgende.
  4. Selecteer het installatietype Aangepast en klik op Volgende.
  5. Selecteer de optie Gedetailleerde installatieopties voor elke toepassing kiezen en klik op Volgende.
  6. Stel onder Onderdelen die moeten worden geïnstalleerd elk programma in op Niet beschikbaar. U doet dit door te klikken op elk item en Niet beschikbaar in de lijst te kiezen. Naast elk item komt een rode X te staan.
  7. Vouw de functie Office-hulpprogramma's uit, klik op Microsoft Photo Editor, selecteer Uitvoeren vanaf deze computer en klik vervolgens op Volgende. Alleen Photo Editor wordt nu geïnstalleerd.
  8. Klik op Installeren om de installatie te voltooien.

WeergevenPhoto Editor opnieuw installeren vanuit Office 2000

  1. Plaats de eerste cd-rom in het cd-rom-station om het installatieprogramma te starten. Als het installatieprogramma niet automatisch wordt gestart, kunt u dat programma vanuit de Windows Verkenner starten door te dubbelklikken op het bestand Setup.exe.
  2. Voer in het eerste scherm de naam van het product in zoals dat op het cd-doosje staat. U kunt desgewenst uw initialen ook invullen. Klik hierna op Volgende.
  3. Accepteer de voorwaarden van de gebruiksrechtovereenkomst en klik op Volgende.
  4. Klik op Aanpassen en vervolgens op Volgende.
  5. Blader door de volgende twee schermen door twee keer op Volgende te klikken.
  6. Stel in het scherm Microsoft Office 2000: functies selecteren elk Office-programma in op Niet beschikbaar. U doet dit door te klikken op elk item en Niet beschikbaar in de lijst te kiezen. Naast elke functie komt een rode X te staan.
  7. Vouw de functie Office-hulpprogramma's uit, klik op Microsoft Photo Editor en selecteer Uitvoeren vanaf deze computer in de lijst. Alleen Photo Editor wordt nu geïnstalleerd.
  8. Klik op Nu installeren om de installatie te voltooien.
  • Als u in het besturingselement voor afbeeldingen bestandsnamen in plaats van afbeeldingen ziet, schakelt u de grafische filters in (zie hiervoor Grafische filters inschakelen).

WeergevenWat te doen wanneer 'Pakket' in plaats van 'Bitmapafbeelding' in de databasetabellen staat

Wanneer u in de databaseweergave GIF-bestanden, JPEG-bestanden en andere typen afbeeldingsbestanden aan een OLE-objectveld in een tabel toevoegt, ziet u het woord 'Pakket' in plaats van 'Bitmapafbeelding'. Probeert u vervolgens met een besturingselement voor afbeeldingen of een objectkader een afbeelding weer te geven dat als een pakket wordt vermeld, dan verschijnt de naam van het afbeeldingsbestand in plaats van de afbeelding.

U ziet het woord 'Pakket' omdat op de computer het OLE-bronprogramma dat nodig is voor het weergeven van een bepaald type grafisch bestand, niet is geïnstalleerd. Zie 'Wat te doen wanneer u bestandsnamen in plaats van afbeeldingen ziet' voor meer informatie over OLE-bronprogramma's en het oplossen van dit probleem

U kunt dit probleem ook oplossen door de afbeeldingen buiten de database op te slaan en ze vervolgens met VBA-code weer te geven. Zie Afbeeldingen uit een map weergeven in een formulier, rapport of Data Access-pagina (Engelstalig) voor meer informatie over deze techniek.

Houd er wel rekening mee dat de database zeer snel erg groot en trager kan worden wanneer u GIF- en JPEG-bestanden in een aparte tabel opslaat en ze met het kader voor afhankelijk object weergeeft. Zie het Microsoft Knowledge Base-artikel Waarom databases groter worden door OLE-objecten (Engelstalig) voor meer informatie over afbeeldingsbestanden en de grootte van de datatase.


WeergevenGrafische filters inschakelen

Als u het besturingselement voor afbeeldingen gebruikt en u meerdere typen grafische bestanden wilt weergeven, kunt u de grafische filters gebruiken. Grafische filters zijn hulpprogramma's waarmee in de diverse Office-programma's afbeeldingsbestanden kunnen worden weergegeven die normaal gesproken niet door Office worden ondersteund. Met behulp van een grafisch filter kunt u met het besturingselement voor afbeeldingen bijvoorbeeld afbeeldingen weergeven die met WordPerfect (WPG-bestanden) zijn gemaakt.

U kunt als volgt grafische filters installeren:

  • Vanaf de installatie-cd-rom van Microsoft Office 2003.

WeergevenHoe?

  1. Start Setup vanaf de cd-rom met de installatiebestanden. Als het installatieprogramma niet wordt gestart, klikt u op Start en vervolgens op Uitvoeren. Typ in het vak Openen de letter van het cd-rom-station gevolgd door Setup.exe. Als bijvoorbeeld het station D het cd-rom-station is, typt u d:\setup.exe, waarna u op OK klikt.
  2. Voer de productcode in, klik op Volgende en klik nogmaals op Volgende . U kunt desgewenst uw initialen invoeren, maar dit is niet nodig.
  3. Accepteer de voorwaarden van de gebruiksrechtovereenkomst en klik op Volgende.
  4. Selecteer Aangepaste installatie en klik op Volgende.
  5. Selecteer de optie Geavanceerde aanpassing van toepassingen kiezen en klik op Volgende.
  6. Vouw in de lijst met opties achtereenvolgens Gedeelde Office-functies, Conversieprogramma's en filters en Grafische filters uit, zoals in de volgende illustratie.

The Office 2003 Graphics Filters

Zoek de set grafische filters op die als eerste moet worden gebruikt. Deze filters zijn gemarkeerd met een geel nummer, zoals in de volgende illustratie.

Graphics filters set to install on first use

Klik op elk gemarkeerd item en selecteer de optie Uitvoeren vanaf deze computer.

  1. Klik op Volgende en vervolgens op Installeren om de filters te installeren.

Back to top  Terug naar boven