Een vorm verplaatsen

  1. Klik op de vorm die u wilt verplaatsen.

Als u meerdere vormen wilt verplaatsen, klikt u op de eerste vorm, drukt u op CTRL en klikt u vervolgens op de andere vormen.

  1. Ga op een van de volgende manieren te werk:
    • Sleep de vorm naar de nieuwe locatie.
    • Druk op PIJL OMHOOG, PIJL OMLAAG, PIJL RECHTS of PIJL LINKS om de vorm in de gewenste richting te verplaatsen.
    • Als u de vorm in kleine stappen wilt verplaatsen, houdt u CTRL ingedrukt terwijl u op PIJL OMHOOG, PIJL OMLAAG, PIJL RECHTS of PIJL LINKS drukt.

Als u een vorm in kleine stappen verschuift, wordt deze naar de volgende cel in het raster (raster: een verzameling elkaar kruisende lijnen waarop objecten worden uitgelijnd.) verplaatst. Het raster wordt niet weergegeven in de presentatie en de rasterlijnen worden evenmin afgedrukt. Als u de optie Objecten op raster uitlijnen hebt ingeschakeld, wordt de vorm met deze methode één pixel (pixel: een enkele maateenheid voor de monitor. Pixels worden door de computer toegepast bij de weergave van afbeeldingen op uw scherm. Deze eenheden, die vaak als kleine puntjes verschijnen, bevatten informatie waarmee afbeeldingen op uw scherm worden opgebouwd.) verschoven. Met de optie Objecten op raster uitlijnen worden objecten uitgelijnd op het dichtstbijzijnde snijpunt van het raster. De optie Objecten op raster uitlijnen is standaard ingeschakeld en wordt ook toegepast wanneer het raster verborgen is. Als u de optie Objecten op raster uitlijnen wilt uitschakelen of de rasterafstand wilt wijzigen, klikt u op het tabblad Opmaak op Schikken en klikt u vervolgens opUitlijnen. Klik op Rasterinstellingen en schakel het selectievakje Objecten op raster uitlijnenuit of wijzig de waarde in het vak Afstand onder Rasterinstellingen.

Eenvoudige bloklijst met raster

Afb. 1  SmartArt-afbeelding met indeling Eenvoudige bloklijst 1 en zichtbaar raster

 Opmerkingen 

  • Als u een vorm verplaatst die is gekoppeld aan een andere vorm, zoals een pijl of een lijn, worden deze mogelijk gezamenlijk verplaatst. Dit is afhankelijk van de gekozen indeling voor de SmartArt-afbeelding.
  • Als u een driedimensionale snelle stijl hebt gekozen om een driedimensionale SmartArt-afbeelding met een perspectiefweergave te maken, moet u eerst naar een 2D-scène omschakelen om de vormen te kunnen verslepen. Selecteer onder Hulpmiddelen voor SmartArt het tabblad Opmaak en klik in de groep Vormen op Bewerken in 2D. Verplaats de vorm en klik nogmaals op Bewerken in 2D. Met de optie Bewerken in 2D in de groep Vormen op het tabblad Opmaak schakelt u dus tussen een 2D- en 3D-weergave. U kunt Bewerken in 2D beschouwen als een manier om de SmartArt-afbeelding tijdelijk te ontgrendelen en bewerkbaar te maken, zodat u de vormen kunt verplaatsen en vergroten of verkleinen. De 3D-stijl blijft echter onverminderd van toepassing en wordt weer actief zodra u nogmaals op Bewerken in 2D klikt.
  • De instelling van het selectievakje Objecten uitlijnen op andere objecten heeft geen effect op de vormen van een SmartArt-afbeelding. Met de optie Objecten uitlijnen op andere objecten kunt u de vormen die u verplaatst automatisch uitlijnen op de rand van dichtstbijzijnde vormen.
  • Verder kunt u vormen draaien of de gehele SmartArt-afbeelding verplaatsen.
 
 
Van toepassing op:
Excel 2007, Outlook 2007, PowerPoint 2007, Word 2007