Wanneer u in Microsoft Publisher 2010 een afbeelding invoegt of selecteert, wordt het contextafhankelijk tabblad Hulpmiddelen voor afbeeldingen op het lint weergegeven. Met dit tabblad kunt u snel de opmaak van de afbeelding wijzigen, u kunt met name de afbeelding aanpassen, de afbeeldingstijl opmaken via een galerie, effecten toepassen, de afbeelding uitlijnen en groeperen en de afbeelding bijsnijden.
In dit artikel
Invoegen
Als u een andere afbeelding wilt invoegen, klikt u op Afbeelding en gaat u in het dialoogvenster Afbeelding invoegen naar de gewenste afbeelding.
Aanpassen
Met de groep Aanpassen kunt u de helderheid, het contrast en de kleur van de afbeelding instellen. U kunt ook de afbeelding comprimeren om ruimte te besparen, de huidige afbeelding wisselen voor een andere of de afbeelding helemaal verwijderen. Tenslotte kunt u alle aanpassingen verwijderen die u hebt aangebracht in de afbeelding.
Helderheid
U kunt de helderheid van de geselecteerde afbeelding verhogen of verlagen met 10%, 20%, 30% of 40%. Plaats de aanwijzer boven een keuzemogelijkheid en in Publisher wordt het effect op de geselecteerde afbeelding weergegeven.
Contrast
U kunt het contrast van de geselecteerde afbeelding verhogen of verlagen met 10%, 20%, 30% of 40%. Plaats de aanwijzer boven een keuzemogelijkheid en in Publisher wordt het effect op de geselecteerde afbeelding weergegeven.
Andere kleuren
U kunt een kleurenafbeelding in Microsoft Publisher 2010 vereenvoudigen door het aantal kleuren te beperken. Op deze manier wordt tevens de bestandsgrootte kleiner en bespaart u afdrukkosten. Het toepassen van een uniforme kleur en stijl op alle afbeeldingen in uw publicatie geeft de publicatie bovendien meer eenheid.
De kleuren van een afbeelding snel wijzigen in tinten van één kleur
- Selecteer de afbeelding die u wilt wijzigen, selecteer de tab Hulpmiddelen voor afbeeldingen en klik op Andere kleur.
- Selecteer een van de vooraf-gedefinieerde kleurstellingen, zoals sepia, grijswaarden of een van de meer lichte of donkere variaties. Plaats de aanwijzer boven een keuzemogelijkheid en in Publisher wordt het effect op de geselecteerde afbeelding weergegeven.
Meer variaties
- Selecteer de afbeelding die u wilt wijzigen, selecteer de tab Hulpmiddelen voor afbeeldingen en klik op Andere kleur.
- Selecteer Meer variaties.
- Klik in het dialoogvenster Kleuren van afbeelding wijzigen op de pijl naast Kleur, klik op de gewenste kleur of klik op Meer kleuren voor meer kleurmogelijkheden, selecteer de gewenste opties en klik vervolgens op OK.
Opmerking Als u steunkleuren gebruikt in uw publicatie, is de optie Meer kleuren niet beschikbaar.
- Voer een van de volgende handelingen uit:
- Klik op Kleuren van gehele afbeelding wijzigen om tinten van de geselecteerde kleur toe te passen op de gehele afbeelding.
- Klik op Zwarte vlakken zwart laten om tinten van de geselecteerde kleur alleen toe te passen op die gedeelten van de afbeelding die niet zwart of wit zijn.
Doorzichtige kleur instellen
Als u een kleur in de afbeelding doorzichtig wilt maken, gaat u als volgt te werk:
- Selecteer de afbeelding die u wilt wijzigen, selecteer de tab Hulpmiddelen voor afbeeldingen en klik op Andere kleur.
- Klik op Doorzichtige kleur instellen. De cursor verandert in de doorzichtigheidcursor.
- Klik in de afbeelding met de doorzichtigheidcursor op de kleur die u doorzichtig wilt maken.
Terug naar boven
De originele kleuren van de afbeelding herstellen
Als de originele kleurgegevens van de afbeelding zijn opgeslagen bij de figuur, kunt u de originele kleuren op elk gewenst moment herstellen.
- Selecteer de afbeelding die u wilt wijzigen, selecteer de tab Hulpmiddelen voor afbeeldingen en klik op Andere kleur.
- Klik op de optie Geen andere kleuren.
Afbeeldingen comprimeren
Met dit hulpmiddel wordt de geselecteerde afbeelding gecomprimeerd, zodat de opslagruimte, die deze afbeelding in de publicatie inneemt, wordt verminderd.
- Selecteer de afbeelding die u wilt wijzigen, selecteer de tab Hulpmiddelen voor afbeeldingen en klik op Comprimeren.
- In het dialoogvenster Afbeeldingen comprimeren wordt informatie over de afbeelding of afbeeldingen weergegeven en de opties voor het comprimeren van de afbeeldingen:
- Verschil in omvang door compressie:
Huidige totale grootte van afbeeldingen - Geeft de huidige totale grootte van alle afbeeldingen in de publicatie weer.
Geschatte totale grootte van afbeeldingen na compressie - Geeft de geschatte totale grootte van alle afbeeldingen in de publicatie na compressie weer. (Deze waarde hangt af van andere opties die u selecteert.)
- Compressieopties:
Bijgesneden gebieden van afbeeldingen verwijderen - Schakel dit selectievakje in als u de pixelgegevens wilt verwijderen die normaal voor de bijgesneden gebieden van afbeeldingen worden opgeslagen. (De gegevens die bij bijgesneden gebieden horen, zijn niet zichtbaar en worden niet gebruikt.)
OLE-gegevens verwijderen - Schakel dit selectievakje in als u de niet-gecomprimeerde 24-bits bitmap wilt verwijderen die deel uitmaakt van de OLE-stroom van een afbeelding. De kleine afbeelding die deel uitmaakt van de OLE-stroom wordt verwijderd, maar de afbeelding zelf blijft er hetzelfde uitzien. (Als u de OLE-gegevens van een afbeelding hebt verwijderd, kunt u deze afbeelding niet meer openen met het programma waarmee de afbeelding oorspronkelijk werd gemaakt.)
Pixelafmetingen van afbeeldingen wijzigen - Schakel dit selectievakje in als u een afbeelding waarvan het formaat is gewijzigd, kleiner wilt maken door de overtollige gegevens van het oorspronkelijke formaat van de afbeelding te verwijderen. (Als de pixelafmetingen van een afbeelding werden gewijzigd en de afbeelding vervolgens wordt uitgerekt zodat de nieuwe pixelafmetingen worden overschreden, daalt de kwaliteit van de afbeelding.)
Naar JPEG converteren wanneer van toepassing - Schakel dit selectievakje in als u de afbeelding naar een JPEG-bestand wilt converteren.
Opmerkingen
Het compressieniveau hangt af van de aard van de afbeelding (is het een foto, hoeveel ruis bevat het histogram van de afbeelding, enzovoort). Het compressieniveau van PNG-bestanden kan niet worden gewijzigd.
Afbeeldingen van 100 kB of minder worden niet gecomprimeerd.
- Doeluitvoer:
Commercieel afdrukken - Klik op deze optie als u de afbeeldingen tot 300 ppi (pixels per inch) wilt comprimeren. Er wordt geen JPEG-compressie uitgevoerd.
Afdrukken met desktopprinter - Klik op deze optie als u de afbeeldingen tot 220 ppi en een kwaliteit van 95 JPEG wilt comprimeren.
Web - Klik op deze optie als u de afbeeldingen tot 96 ppi en een kwaliteit van 75 JPEG wilt comprimeren.
- Compressie-instellingen nu toepassen:
Toepassen op alle afbeeldingen in de publicatie - Klik op deze optie als u de compressie-instellingen op alle afbeeldingen in uw publicatie wilt toepassen.
Alleen op geselecteerde afbeeldingen toepassen - Klik op deze optie als u de compressie-instellingen alleen op de geselecteerde afbeelding(en) wilt toepassen.
Afbeelding wijzigen
Als u de geselecteerde afbeelding of afbeeldingen wilt vervangen door andere afbeeldingen, gaat u als volgt te werk:
- Selecteer de afbeelding of de afbeeldingen die u wilt wijzigen.
- Klik op Afbeelding wijzigen en selecteer vervolgens Afbeelding wijzigen.
- Ga in het dialoogvenster Afbeelding invoegen naar de gewenste afbeelding.
- Als u de geselecteerde afbeeldingen wilt verwijderen, klikt u op Afbeelding wijzigen en selecteert u vervolgens Afbeelding verwijderen, de afbeeldingen worden vervangen door lege afbeeldingframes.
Beginwaarden van de afbeelding
Als u alle opmaak die u hebt aangebracht in de geselecteerde afbeelding wilt verwijderen klikt u op Beginwaarden van afbeelding.
Terug naar boven
Wisselen
Met dit hulpmiddel kunt u de positie of de opmaak van twee geselecteerde afbeeldingen uitwisselen.
Wisselen van positie
- Klik op de eerste afbeelding, houd CTRL of Shift ingedrukt en klik vervolgens op de tweede afbeelding, zodat ze allebei zijn geselecteerd.
- Klik op Wisselen en selecteer vervolgens Wisselen.
Andere opmaak
- Klik op de eerste afbeelding, houd CTRL ingedrukt en klik op de tweede afbeelding, zodat ze allebei zijn geselecteerd.
- Klik op Wisselen en selecteer vervolgens Alleen andere opmaak.
Afbeeldingstijlen
In de groep Afbeeldingstijlen vindt u de opties om de vorm, de randen en de bijschriften van de afbeelding te wijzigen. U kunt vooraf-gedefinieerde afbeeldingstijlen toepassen, maar u kunt de vorm en de de randen van de afbeelding ook handmatig opmaken.
Galerie Afbeeldingstijl
De galerie met stijlen bevat vier verschillende vormen met elk zes verschillende randopties die u kunt toepassen op de afbeeldingen. Als u de aanwijzer boven een van de opties in de galerie plaatst, wordt de stijl in de geselecteerde afbeeldingen weergegeven.
Een stijl toepassen
- Selecteer de afbeelding of de afbeeldingen waarvan u de stijl wilt wijzigen.
- Klik op het tabblad Hulpmiddelen voor afbeeldingen.
- Selecteer in de galerie Afbeeldingstijlen de gewenste stijl.
Opmerking Als u alle vierentwintig beschikbare stijlen tegelijk wilt zien, klikt u op de knop Meer
.
Een stijl verwijderen
- Selecteer de afbeelding of de afbeeldingen waarvan u de stijl wilt wijzigen.
- Klik op het tabblad Hulpmiddelen voor afbeeldingen.
- Klik in de galerie Afbeeldingstijlen op de knop Meer
.
- Selecteer Afbeeldingstijl verwijderen.
Afbeeldingrand
U kunt handmatig de kleur, de lijndikte en het patroon van de rand voor de geselecteerde afbeelding selecteren.
- Selecteer de afbeelding of de afbeeldingen waarvan u de stijl wilt wijzigen.
- Klik op het tabblad Hulpmiddelen voor afbeeldingen.
- Klik op Afbeeldingrand en selecteer de gewenste opties:
Kleuren - Selecteer de gewenste lijnkleur in het palet. Als u meer kleuropties wilt hebben, selecteert u Meer kaderkleuren. Met deze optie wordt het dialoogvenster Kleuren geopend. U kunt een nieuwe kleur in het standaardkleurenpalet van Microsoft Windows selecteren of u kunt een aangepaste kleur selecteren die u definieert met het RGB (RGB: een systeem voor kleurwaarden waarmee kleuren worden beschreven als een combinatie van rood (R), groen (G) en blauw (B). De kleur wordt gedefinieerd als een combinatie van drie waarden (R, G, B). De waarde 0 voor alle kleuren geeft als resultaat zwart; de waarde 100 voor alle kleuren geeft als resultaat wit.) of CMYK (CMYK: een kleurmodel voor commerciële printers waarbij een groot bereik aan kleuren wordt geproduceerd door verschillende percentages van cyaan, magenta, geel en zwarte inktsoorten te mengen.)-kleurenmodel. U kunt ook een Pantone (Pantone: een veelgebruikt systeem voor kleuraanpassing waarin honderden steunkleuren of CMYK-kleuren worden gedefinieerd.)-kleur selecteren.
Opmerking De gebruikte PANTONE®-kleuren komen mogelijk niet overeen met de door PANTONE geïdentificeerde standaarden. Raadpleeg de actuele PANTONE-kleurenpublicaties voor exacte kleuren. PANTONE® en andere merken van Pantone, Inc. zijn het eigendom van Pantone, Inc. © Pantone, Inc., 2007.
Dikte – Selecteer een dikte voor een lijn of selecteer Meer lijnen en geef een lijndikte op in het vak Dikte.
Streepjes – Selecteer een stippellijn.
Patroon – Het dialoogvenster Lijnen met patronen wordt geopend. Op het tabblad Tint kunt u een nieuwe Basiskleur kiezen en een tint voor uw basiskleur instellen. Op het tabblad Patroon kunt u een patroon voor uw rand instellen.
Afbeeldingvorm
U kunt een vorm toepassen op de geselecteerde afbeelding of afbeeldingen. Zie Een AutoVorm toepassen op een afbeelding voor meer informatie over het toepassen van vormen op afbeeldingen.
Opmerking Als u meer dan één afbeelding selecteert, is de optie Afbeeldingvorm niet beschikbaar.
Bijschrift
Als u een bijschrift wilt toevoegen aan de afbeeldingen kunt u een keuze maken uit een galerie met bijschriftstijlen.
- Selecteer de afbeelding of de afbeeldingen waarvan u de stijl wilt wijzigen.
- Klik op het tabblad Hulpmiddelen voor afbeeldingen.
- Klik op Bijschrift en selecteer vervolgens een bijschrift uit de galerie met bijschriftstijlen. Als u de aanwijzer boven een van de opties in de galerie plaatst, wordt de stijl in de geselecteerde afbeeldingen weergegeven.
- In Publisher wordt een vooraf opgemaakt tekstvak ingevoegd, waarin u de bijschrifttekst voor de afbeeldingen kunt invoeren.
Terug naar boven
Schaduweffecten
Met de groep Schaduweffecten kunt u de opmaak van de schaduw voor uw afbeeldingen wijzigen. De eerste rij in de galerie Afbeeldingstijl bevat schaduwen.
- Selecteer de afbeelding of afbeeldingen waaraan u een schaduw wilt toevoegen.
- Klik op het tabblad Hulpmiddelen voor afbeeldingen.
- Klik op Schaduweffecten en selecteer het gewenste effect uit de galerie met schaduweffectstijlen.
- Als u de kleur van de schaduw wilt wijzigen, selecteert u Schaduwkleur en selecteert u de gewenste kleuropties.
- Als u de schaduw wilt verschuiven, klikt u op de betreffende richtingknoppen
.
- Als u het schaduweffect in of uit wilt schakelen, klikt u op het midden van de knop.
Schikken
Met de groep Schikken kunt u de terugloop van tekst rond de afbeelding bepalen, de afbeelding naar de voorgrond of achtergrond verplaatsen ten opzichte van andere objecten op de pagina, de afbeelding op de pagina uitlijnen, de afbeelding met andere objecten op de pagina groeperen, of deze groep opheffen en de afbeelding draaien. Zie, voor meer informatie over het schikken van objecten:
Bijsnijden
Bijsnijden wordt vaak gebruikt om een deel van een figuur te verbergen of af te snijden, om bepaalde gedeelten te benadrukken of ongewenste gedeelten te verwijderen. Zie Afbeeldingen bijsnijden voor meer informatie over het bijsnijden van afbeeldingen.
Grootte
Met de groep Grootte kunt u de Hoogte van vorm en de Breedte van vorm van uw afbeeldingen bepalen.
Terug naar boven