Het gebruik van sneltoetsen
De sneltoetsen die in dit Help-onderwerp worden beschreven, hebben betrekking op de US-toetsenbordindeling. Toetsen in andere indelingen komen niet altijd exact overeen met de toetsen op een US-toetsenbord.
Sneltoetsen waarbij u op twee of meer toetsen tegelijk moet drukken, worden gescheiden door een plusteken (+). Sneltoetsen waarbij u op één toets drukt en direct daarna op een andere, worden gescheiden door een komma (,).
Opmerking Als u dit onderwerp wilt afdrukken, drukt u op TAB om Alles weergeven te selecteren, drukt u op ENTER en drukt u vervolgens op CTRL+P.
Online-Help
Sneltoetsen voor het gebruik van het Help-venster
Het Help-venster biedt toegang tot de volledige inhoud van Office Help. In het Help-venster worden Help-onderwerpen en andere Help-inhoud weergegeven.
In het Help-venster
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Het Help-venster openen. |
F1 |
| Het Help-venster sluiten. |
ALT+F4 |
| Schakelen tussen het Help-venster en de actieve toepassing. |
ALT+TAB |
| Terugkeren naar de introductiepagina van PowerPoint. |
ALT+HOME |
| Het volgende item in het Help-venster selecteren. |
TAB |
| Het vorige item in het Help-venster selecteren. |
SHIFT+TAB |
| De actie voor het geselecteerde item uitvoeren. |
ENTER |
| In de sectie Bladeren in PowerPoint Help van het Help-venster respectievelijk het volgende of vorige item selecteren. |
TAB, SHIFT+TAB |
| In de sectie Bladeren in PowerPoint Help van het Help-venster het geselecteerde item respectievelijk uitvouwen of samenvouwen. |
ENTER |
| De volgende verborgen tekst of hyperlink selecteren, dan wel Alles weergeven of Alles verbergen bovenaan in het onderwerp selecteren. |
TAB |
| De vorige verborgen tekst of hyperlink selecteren. |
SHIFT+TAB |
| Afhankelijk van de selectie, de actie uitvoeren voor Alles weergeven, Alles verbergen, de verborgen tekst of de hyperlink. |
ENTER |
| Teruggaan naar het vorige Help-onderwerp (knop Vorige). |
ALT+PIJL-LINKS of BACKSPACE |
| Naar het volgende Help-onderwerp gaan (knop Volgende). |
ALT+PIJL-RECHTS |
| Binnen het huidige Help-onderwerp met kleine hoeveelheden respectievelijk omhoog of omlaag bladeren. |
PIJL-OMHOOG, PIJL-OMLAAG |
| Binnen het huidige Help-onderwerp met grotere hoeveelheden respectievelijk omhoog of omlaag bladeren. |
PAGE UP, PAGE DOWN |
| Een menu met opdrachten weergeven voor het Help-venster. Hiervoor moet het Help-venster actief zijn (klik hiervoor in het Help-venster). |
SHIFT+F10 |
| De laatste actie stoppen (knop Stoppen). |
ESC |
| Het venster vernieuwen (knop Vernieuwen). |
F5 |
|
Het huidige Help-onderwerp afdrukken.
Opmerking Als de cursor zich niet in het huidige Help-onderwerp bevindt, drukt u op F6 en vervolgens op CTRL+P.
|
CTRL+P |
| De verbindingsstatus wijzigen. U moet mogelijk meer dan één keer op F6 drukken. |
F6 (totdat de focus zich in het vak Typ de woorden waarnaar u wilt zoeken bevindt), TAB, PIJL-OMLAAG |
| Tekst typen in het vak Typ de woorden waarnaar u wilt zoeken. U moet mogelijk meer dan één keer op F6 drukken. |
F6 |
| Schakelen tussen verschillende gebieden in het Help-venster, bijvoorbeeld tussen de werkbalk, het vak Typ de woorden waarnaar u wilt zoeken en de lijst Zoeken. |
F6 |
| Respectievelijk het volgende of het vorige item selecteren in een inhoudsopgave in boomstructuurweergave. |
PIJL-OMHOOG, PIJL-OMLAAG |
| Het geselecteerde item in een inhoudsopgave in boomstructuurweergave respectievelijk uit- of samenvouwen. |
PIJL-LINKS, PIJL-RECHTS |
Basisbewerkingen in Microsoft Office
Vensters weergeven en gebruiken
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Naar het volgende vensters schakelen. |
ALT+TAB |
| Naar het vorige venster schakelen. |
ALT+SHIFT+TAB |
| Het actieve venster sluiten. |
CTRL+W of CTRL+F4 |
| Het formaat van het actieve venster herstellen nadat u dit hebt gemaximaliseerd. |
CTRL+F5 |
|
Vanuit een deelvenster (rechtsom draaiend) naar een taakvenster (taakvenster: een venster in een Office-programma dat veelgebruikte opdrachten bevat. De plaats en de geringe afmetingen van het venster maken het mogelijk deze opdrachten te gebruiken terwijl u verder werkt aan uw bestanden.) in het programmavenster gaan. U moet mogelijk meer dan één keer op F6 drukken.
Opmerking Als met F6 niet het gewenste deelvenster wordt weergegeven, kunt u met ALT de focus naar de menubalk of het lint, dat deel uitmaakt van de Microsoft Office Fluent-gebruikersinterface, verplaatsen en vervolgens met CTRL+TAB naar het gewenste taakvenster gaan. Het lint maakt deel uit van de nieuwe Microsoft Office Fluent-gebruikersinterface. Het vervangt de menu's en werkbalken door één locatie waar u op eenvoudige wijze alle benodigde opdrachten kunt vinden.
|
F6 |
| Vanuit het ene deelvenster (linksom draaiend) naar het andere deelvenster in het programmavenster gaan. |
SHIFT+F6 |
| Naar het volgende venster schakelen wanneer er meerdere vensters zijn geopend. |
CTRL+F6 |
| Naar het vorige venster schakelen. |
CTRL+SHIFT+F6 |
| Bij niet-gemaximaliseerde documentvensters de opdracht Verplaatsen (uit het Systeemmenu van het venster) uitvoeren. Gebruik de pijltoetsen om het venster te verplaatsen en druk op ESC als u klaar bent. |
CTRL+F7 |
| Bij niet-gemaximaliseerde documentvensters de opdracht Grootte (uit het Systeemmenu van het venster) uitvoeren. Gebruik de pijltoetsen om het venster te vergroten of verkleinen en druk op ESC als u klaar bent. |
CTRL+F8 |
| Een venster tot een pictogram verkleinen (werkt alleen bij bepaalde Microsoft Office-programma's). |
CTRL+F9 |
| Het formaat van het geselecteerde venster maximaliseren of herstellen. |
CTRL+F10 |
| Een afbeelding van het scherm naar het Klembord kopiëren. |
PRINT SCREEN |
| Een afbeelding van het geselecteerde venster naar het Klembord kopiëren. |
ALT+PRINT SCREEN |
Lettertype of lettergrootte wijzigen
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Lettertype wijzigen. |
CTRL+SHIFT+F |
| Tekengrootte wijzigen. |
CTRL+SHIFT+P |
| De tekengrootte van de geselecteerde tekst vergroten. |
CTRL+SHIFT+> |
| De tekengrootte van de geselecteerde tekst verkleinen. |
CTRL+SHIFT+< |
De invoegpositie in tekst of cellen verplaatsen
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| De invoegpositie één teken naar links verplaatsen. |
PIJL-LINKS |
| De invoegpositie één teken naar rechts verplaatsen. |
PIJL-RECHTS |
| De invoegpositie één regel omhoog verplaatsen. |
PIJL-OMHOOG |
| De invoegpositie één regel omlaag verplaatsen. |
PIJL-OMLAAG |
| De invoegpositie één woord naar links verplaatsen. |
CTRL+PIJL-LINKS |
| De invoegpositie één woord naar rechts verplaatsen. |
CTRL+PIJL-RECHTS |
| De invoegpositie naar het einde van een regel verplaatsen. |
END |
| De invoegpositie naar het begin van een regel verplaatsen. |
HOME |
| De invoegpositie één alinea omhoog verplaatsen. |
CTRL+PIJL-OMHOOG |
| De invoegpositie één alinea omlaag verplaatsen. |
CTRL+PIJL-OMLAAG |
| De invoegpositie naar het einde van een tekstvak verplaatsen. |
CTRL+END |
| De invoegpositie naar het begin van een tekstvak verplaatsen. |
CTRL+HOME |
| De invoegpositie in Microsoft Office PowerPoint naar de volgende tijdelijke aanduiding voor een titel of de hoofdtekst verplaatsen. Als dit de laatste tijdelijke aanduiding is op een dia, wordt hiermee een nieuwe dia ingevoegd met dezelfde dia-indeling als de oorspronkelijke dia. |
CTRL+ENTER |
| De laatste opdracht voor Zoeken herhalen. |
SHIFT+F4 |
Zoeken en vervangen
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Het dialoogvenster Zoeken openen. |
CTRL+F |
| Het dialoogvenster Vervangen openen. |
CTRL+H |
| De laatste opdracht Zoeken herhalen. |
SHIFT+F4 |
Navigeren en werken in tabellen
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Naar de volgende cel gaan. |
TAB |
| Naar de vorige cel gaan. |
SHIFT+TAB |
| Naar de volgende rij gaan. |
PIJL-OMLAAG |
| Naar de vorige rij gaan. |
PIJL-OMHOOG |
| Een tab invoegen in een cel. |
CTRL+TAB |
| Een nieuwe alinea beginnen. |
ENTER |
| Onderaan in de tabel een nieuwe rij toevoegen. |
TAB aan het einde van de laatste rij |
Taakvensters weergeven en gebruiken
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Vanuit een deelvenster naar een taakvenster (taakvenster: een venster in een Office-programma dat veelgebruikte opdrachten bevat. De plaats en de geringe afmetingen van het venster maken het mogelijk deze opdrachten te gebruiken terwijl u verder werkt aan uw bestanden.) in het programmavenster gaan. (U moet mogelijk meer dan één keer op F6 drukken.) |
F6 |
| Respectievelijk de volgende of vorige optie in het actieve taakvenster selecteren. |
TAB, SHIFT+TAB |
| Alle beschikbare opdrachten in het menu van het taakvenster weergeven. |
CTRL+PIJL-OMLAAG |
| Navigeren door de beschikbare keuzen in het geselecteerde submenu, of navigeren door de opties in een groep in een dialoogvenster. |
PIJL-OMHOOG of PIJL-OMLAAG |
| Het geselecteerde menu openen of de aan de geselecteerde knop toegewezen actie uitvoeren. |
SPATIEBALK of ENTER |
| Een snelmenu openen of een vervolgkeuzemenu openen voor het geselecteerde item in de galerie. |
SHIFT+F10 |
| Respectievelijk de eerste of de laatste opdracht in het zichtbare menu of submenu selecteren. |
HOME, END |
| Respectievelijk omhoog of omlaag schuiven in de geselecteerde galerielijst. |
PAGE UP, PAGE DOWN |
| Respectievelijk naar het begin of het einde van de geselecteerde galerielijst navigeren. |
HOME, END |
| Een taakvenster sluiten. |
CTRL+SPATIEBALK, C |
| Het Klembord openen. |
ALT+H, F, O |
Infolabels weergeven en gebruiken
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Het menu of het bericht van een infolabel weergeven. Als er meer dan één infolabel is, wordt het menu of het bericht van het volgende infolabel weergegeven. |
ALT+SHIFT+F10 |
| Het volgende item in een infolabelmenu weergeven. |
PIJL-OMLAAG |
| Het vorige item in een infolabelmenu weergeven. |
PIJL-OMHOOG |
| De actie van het geselecteerde item in het infolabelmenu uitvoeren. |
ENTER |
| Het menu of het bericht van een infolabel sluiten. |
ESC |
Tips
- U kunt de weergave van een infolabel gepaard laten gaan met een geluidssignaal. Dit kan alleen als u een geluidskaart en Microsoft Office Sounds hebt geïnstalleerd.
- Als u toegang hebt tot internet, kunt u Microsoft Office Sounds downloaden van de website Microsoft Office Online. Als u de audiobestanden hebt geïnstalleerd, gaat u als volgt te werk in Microsoft Office Access 2007, Microsoft Office Excel 2007, Microsoft Office PowerPoint 2007 of Microsoft Office Word 2007:
- Druk op ALT+F voor de Microsoft Office-knop
en druk vervolgens op de letter I voor Opties voor Programma.
- Druk op A om naar Geavanceerd te gaan of zoek deze categorie met PIJL-OMHOOG of PIJL-OMLAAG.
- Druk onder het onderwerp Algemeen in de categorie Geavanceerd op ALT+F om het selectievakje Feedback met geluid in te schakelen, druk op TAB tot u bij de knop OK bent, en druk op ENTER.
Opmerking De instelling van dit selectievakje is geldig voor alle Office-programma's waarin geluid wordt ondersteund.
Het formaat van een taakvenster wijzigen
Dialoogvensters gebruiken
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Naar de volgende optie of optiegroep gaan. |
TAB |
| Naar de vorige optie of optiegroep gaan. |
SHIFT+TAB |
| Naar het volgende tabblad in een dialoogvenster gaan. |
CTRL+TAB |
| Naar het vorige tabblad in een dialoogvenster gaan. |
CTRL+SHIFT+TAB |
| Een geselecteerde vervolgkeuzelijst openen. |
ALT+PIJL-OMLAAG |
| De lijst openen als die gesloten is en naar een optie in de lijst gaan. |
Eerste letter van een optie in een vervolgkeuzelijst |
| Naar de vorige of volgende optie gaan in een geopende vervolgkeuzelijst of in een groep met opties. |
Pijltoetsen |
| Een geselecteerde vervolgkeuzelijst sluiten. Een opdracht annuleren en een dialoogvenster sluiten. |
ESC |
| De actie uitvoeren die is toegewezen aan de geselecteerde knop. Het geselecteerde selectievakje in- of uitschakelen. |
SPATIEBALK |
| Een optie selecteren. Een selectievakje in- of uitschakelen. |
ALT+ de onderstreepte letter in een optie |
| De actie uitvoeren die is toegewezen aan een standaardknop in een dialoogvenster. |
ENTER |
Invoervakken binnen dialoogvensters gebruiken
Een invoervak is een leeg vak waarin u een waarde typt of plakt, bijvoorbeeld uw gebruikersnaam of het pad naar een map.
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Naar het begin van de invoer gaan. |
HOME |
| Naar het einde van de invoer gaan. |
END |
| De invoegpositie respectievelijk één teken naar links of één teken naar rechts verplaatsen. |
PIJL-LINKS, PIJL-RECHTS |
| De invoegpositie één woord naar links verplaatsen. |
CTRL+PIJL-LINKS |
| De invoegpositie één woord naar rechts verplaatsen. |
CTRL+PIJL-RECHTS |
| Een teken naar links selecteren of deselecteren. |
SHIFT+PIJL-LINKS |
| Een teken naar rechts selecteren of deselecteren. |
SHIFT+PIJL-RECHTS |
| Een woord naar links selecteren of deselecteren. |
CTRL+SHIFT+PIJL-LINKS |
| Een woord naar rechts selecteren of deselecteren. |
CTRL+SHIFT+PIJL-RECHTS |
| Selecteren vanaf de cursor tot aan het begin van de invoer. |
SHIFT+HOME |
| Selecteren vanaf de cursor tot aan het einde van de invoer. |
SHIFT+END |
De dialoogvensters Openen en Opslaan als gebruiken
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
Naar de vorige map gaan. |
ALT+1 |
Knop Eén niveau naar boven : de bovenliggende map van de geopende map openen. |
ALT+2 |
Knop Verwijderen : de geselecteerde map of het geselecteerde bestand verwijderen. |
ALT+3 of DELETE |
Knop Nieuwe map maken : een nieuwe map maken. |
ALT+4 |
Knop Weergaven : schakelen tussen beschikbare mapweergaven. |
ALT+5 |
| Knop Extra: het menu Extra weergeven. |
ALT+L |
| Een snelmenu weergeven voor een geselecteerd item, zoals een map of bestand. |
SHIFT+F10 |
| Schakelen tussen opties of gebieden in het dialoogvenster. |
TAB |
| De lijst Zoeken in openen. |
F4 of ALT+Z |
| De bestandenlijst vernieuwen. |
F5 |
Navigeren op het lint, dat deel uitmaakt van de nieuwe Office Fluent-gebruikersinterface
Toegang tot alle opdrachten verkrijgen met een paar toetsaanslagen
- Druk op ALT.
Bij alle functies die in de huidige weergave beschikbaar zijn, worden toetstips weergegeven. Het volgende voorbeeld komt uit Microsoft Office Word.
De afbeelding hierboven komt uit Training op Microsoft Office Online.
- Druk op de letter die in de toetstip wordt weergegeven bij de gewenste functie.
- Afhankelijk van de letter waarop u drukt, kan het zijn dat er extra toetstips verschijnen. Als bijvoorbeeld het tabblad Start actief is en u drukt op I, wordt het tabblad Invoegen weergegeven, samen met de toetstips voor de groepen op dit tabblad.
- Ga door met het drukken op letters totdat u op de letter drukt van de gewenste opdracht of het gewenste besturingselement. In sommige gevallen moet u eerst op de letter drukken van de groep waartoe de opdracht behoort. Als u bijvoorbeeld op ALT+H, F, S drukt, krijgt de keuzelijst Tekengrootte in de groep Lettertype de focus.
Opmerking Als u de huidige handeling wilt annuleren en de toetstips wilt verbergen, drukt u op ALT.
De focus wijzigen zonder de muis te gebruiken
Een andere manier waarop u het toetsenbord kunt gebruiken om met het lint te werken is het verplaatsen van de focus tussen de tabbladen en opdrachten totdat u de gewenste functie hebt gevonden. In de volgende tabel worden enkele manieren opgesomd om de focus te verplaatsen zonder de muis te gebruiken.
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Selecteer het actieve tabblad van het lint en activeer de toegangstoetsen (toegangstoets: een toetscombinatie, zoals ALT+F, waarmee de focus wordt verplaatst naar een menu, opdracht of besturingselement zonder dat de muis wordt gebruikt.). |
ALT of F10. Druk nogmaals op een van deze toetsen om terug naar het document te gaan en de toegangstoetsen te annuleren. |
| Respectievelijk naar links of naar rechts naar een ander tabblad van het lint gaan. |
F10 om het actieve tabblad te selecteren en vervolgens PIJL-LINKS, PIJL-RECHTS |
| Het lint verbergen of weergeven. |
CTRL+F1 |
| Het snelmenu voor de geselecteerde opdracht weergeven. |
SHIFT+F10 |
|
De focus verplaatsen om elk van de volgende gebieden van het venster te selecteren:
|
F6 |
| De focus telkens naar respectievelijk de volgende of vorige opdracht op het lint verplaatsen. |
TAB, SHIFT+TAB |
| De focus respectievelijk omlaag, omhoog, links of rechts verplaatsen tussen de items op het lint. |
PIJL-OMLAAG, PIJL-OMHOOG, PIJL-LINKS, PIJL-RECHTS |
| De geselecteerde opdracht of het geselecteerde besturingselement op het lint activeren. |
SPATIEBALK of ENTER |
| Het geselecteerde menu of de geselecteerde galerie op het lint openen. |
SPATIEBALK of ENTER |
| Een opdracht of besturingselement activeren zodat u een waarde kunt wijzigen. |
ENTER |
| Stoppen met het wijzigen van een waarde in een besturingselement op het lint en de focus terug naar het document verplaatsen. |
ENTER |
| Help bij de geselecteerde opdracht of het geselecteerde besturingselement op het lint raadplegen. (Als aan de geselecteerde opdracht geen Help-onderwerp is gekoppeld, wordt een algemeen Help-onderwerp over het programma weergegeven.) |
F1 |
Algemene taken in Microsoft Office PowerPoint
Van het ene naar het andere deelvenster gaan
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| De deelvensters met de klok mee doorlopen in de normale weergave. |
F6 |
| De deelvensters tegen de klok in doorlopen in de normale weergave. |
SHIFT+F6 |
| Schakelen tussen de tabbladen Dia's en Overzicht in de deelvensters Overzicht en Dia's in de normale weergave. |
CTRL+SHIFT+TAB |
Werken in een overzicht
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Het alineaniveau verhogen. |
ALT+SHIFT+PIJL-LINKS |
| Het alineaniveau verlagen. |
ALT+SHIFT+PIJL-RECHTS |
| Geselecteerde alinea's omhoog verplaatsen. |
ALT+SHIFT+PIJL-OMHOOG |
| Geselecteerde alinea's omlaag verplaatsen. |
ALT+SHIFT+PIJL-OMLAAG |
| Kopniveau 1 weergeven. |
ALT+SHIFT+1 |
| De tekst onder een kop uitvouwen. |
ALT+SHIFT+PLUSTEKEN |
| De tekst onder een kop samenvouwen. |
ALT+SHIFT+MINTEKEN |
Werken met vormen, afbeeldingen, vakken, objecten en WordArt
Vormen invoegen
- Selecteer Vormen door op ALT te drukken en de toets los te laten, druk achtereenvolgens op N, op S en op H.
- Blader met behulp van de pijltoetsen door de categorieën vormen en selecteer de gewenste vorm.
- Druk op CTRL+ENTER als u de geselecteerde vorm wilt invoegen.
Een vak invoegen
- Houd ALT ingedrukt en druk op N.
- Druk op TAB om naar Tekstvak, op het tabblad Invoegen in de groep Tekst te gaan.
- Druk op CTRL+ENTER om het tekstvak in te voegen.
Een object invoegen
- Selecteer Object door op ALT te drukken en de toets los te laten. Druk vervolgens op N en op J.
- Gebruik de pijltoetsen om de objecten te doorlopen.
- Druk op CTRL+ENTER als u het gewenste object wilt invoegen.
WordArt-objecten invoegen
- Selecteer WordArt door op ALT te drukken en de toets los te laten, druk vervolgens op N, vervolgens op W.
- Gebruik de pijltoetsen om de gewenste WordArt-stijl te kiezen en druk op ENTER.
- Typ de gewenste tekst.
Vormen selecteren
Opmerking Als de cursor zich binnen tekst bevindt, drukt u op ESC.
- Als u een afzonderlijke vorm wilt selecteren, drukt u op de TAB-toets om vooruit te lopen, of op SHIFT+TAB om achteruit te lopen door de objecten, totdat de formaatgrepen zichtbaar worden op het object dat u wilt selecteren.
- Met het selectiedeelvenster kunt u meerdere items selecteren.
Vormen, afbeeldingen en WordArt-objecten groeperen en deze groepen opheffen
- Als u vormen, afbeeldingen of WordArt-objecten wilt groeperen, selecteert u de items die u wilt groeperen en vervolgens drukt u op CTRL+G.
- Als u een groep wilt opheffen, selecteert u de groep en drukt u op CTRL+SHIFT+G.
Het raster of de hulplijnen weergeven of verbergen
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Het raster weergeven of verbergen. |
SHIFT+F9 |
| Hulplijnen weergeven of verbergen. |
ALT+F9 |
De kenmerken van een vorm kopiëren
- Selecteer de vorm met de kenmerken die u wilt kopiëren.
Als u een vorm met gekoppelde tekst selecteert, kopieert u zowel het uiterlijk en de stijl van de tekst, als de kenmerken van de vorm.
- Druk op CTRL+SHIFT+C om de objectkenmerken te kopiëren.
- Druk op TAB of SHIFT+TAB om het object te selecteren waarnaar u de kenmerken wilt kopiëren.
- Druk op CTRL+SHIFT+V.
Tekst en objecten selecteren
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Het teken rechts selecteren. |
SHIFT+PIJL-RECHTS |
| Het teken links selecteren. |
SHIFT+PIJL-LINKS |
| Tot het einde van het woord selecteren. |
CTRL+SHIFT+PIJL-RECHTS |
| Tot het begin van het woord selecteren. |
CTRL+SHIFT+PIJL-LINKS |
| Eén regel omhoog selecteren. |
SHIFT+PIJL-OMHOOG |
| Eén regel omlaag selecteren. |
SHIFT+PIJL-OMLAAG |
| Een object selecteren (wanneer tekst in het object is geselecteerd). |
ESC |
| Een object selecteren (wanneer een object is geselecteerd). |
TAB of SHIFT+TAB totdat het gewenste object is geselecteerd |
| Tekst in een object selecteren (wanneer een object is geselecteerd). |
ENTER |
| Alle objecten selecteren. |
CTRL+A (op het tabblad Dia's) |
| Alle dia's selecteren. |
CTRL+A (in Diasorteerderweergave) |
| Alle tekst selecteren. |
CTRL+A (op het tabblad Overzicht) |
Tekst en objecten verwijderen en kopiëren
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Het teken links verwijderen. |
BACKSPACE |
| Het woord links verwijderen. |
CTRL+BACKSPACE |
| Het teken rechts verwijderen. |
DELETE |
| Het woord rechts verwijderen. |
CTRL+DELETE |
| Het geselecteerde object knippen. |
CTRL+X |
| Het geselecteerde object kopiëren. |
CTRL+C |
| Het geknipte of gekopieerde object plakken. |
CTRL+V |
| De laatste actie ongedaan maken. |
CTRL+Z |
| De laatste actie opnieuw uitvoeren. |
CTRL+Y |
| Alleen opmaak kopiëren. |
CTRL+SHIFT+C |
| Alleen opmaak plakken. |
CTRL+SHIFT+V |
| Plakken speciaal. |
CTRL+ALT+V |
Navigeren in tekst
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| De invoegpositie één teken naar links verplaatsen. |
PIJL-LINKS |
| De invoegpositie één teken naar rechts verplaatsen. |
PIJL-RECHTS |
| De invoegpositie één regel omhoog verplaatsen. |
PIJL-OMHOOG |
| De invoegpositie één regel omlaag verplaatsen. |
PIJL-OMLAAG |
| De invoegpositie één woord naar links verplaatsen. |
CTRL+PIJL-LINKS |
| De invoegpositie één woord naar rechts verplaatsen. |
CTRL+PIJL-RECHTS |
| De invoegpositie naar het einde van een regel verplaatsen. |
END |
| De invoegpositie naar het begin van een regel verplaatsen. |
HOME |
| De invoegpositie één alinea omhoog verplaatsen. |
CTRL+PIJL-OMHOOG |
| De invoegpositie één alinea omlaag verplaatsen. |
CTRL+PIJL-OMLAAG |
| De invoegpositie naar het einde van een tekstvak verplaatsen. |
CTRL+END |
| De invoegpositie naar het begin van een tekstvak verplaatsen. |
CTRL+HOME |
| De invoegpositie naar de volgende tijdelijke aanduiding voor een titel of de hoofdtekst verplaatsen. Als dit de laatste tijdelijke aanduiding is op een dia, wordt hiermee een nieuwe dia ingevoegd met dezelfde dia-indeling als de oorspronkelijke dia. |
CTRL+ENTER |
| De laatste opdracht voor Zoeken herhalen. |
SHIFT+F4 |
Navigeren in en werken met tabellen
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Naar de volgende cel gaan. |
TAB |
| Naar de vorige cel gaan. |
SHIFT+TAB |
| Naar de volgende rij gaan. |
PIJL-LINKS |
| Naar de vorige rij gaan. |
PIJL-OMHOOG |
| Een tab invoegen in een cel. |
CTRL+TAB |
| Een nieuwe alinea beginnen. |
ENTER |
| Onderaan in de tabel een nieuwe rij toevoegen. |
TAB aan het einde van de laatste rij |
Gekoppeld of ingesloten object bewerken
- Druk op SHIFT+TAB om het gewenste object te selecteren.
- Druk op SHIFT+F10 om het snelmenu te openen.
- Druk op PIJL-OMLAAG om het werkbladobject te selecteren en vervolgens om Bewerken te selecteren.
Tekens en alinea's opmaken en uitlijnen
Lettertype of lettergrootte wijzigen
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Het dialoogvenster Lettertype openen om het lettertype te wijzigen. |
CTRL+SHIFT+F |
| Het dialoogvenster Lettertype openen om de tekengrootte te wijzigen. |
CTRL+SHIFT+P |
| De tekengrootte vergroten. |
CTRL+SHIFT+> |
| De tekengrootte verkleinen. |
CTRL+SHIFT+< |
Tekenopmaak toepassen
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Het dialoogvenster Lettertype openen om de tekenopmaak te wijzigen. |
CTRL+T |
| Hoofdlettergebruik wijzigen. |
SHIFT+F3 |
| Tekst vet maken. |
CTRL+B |
| Tekst onderstrepen. |
CTRL+U |
| Tekst cursief maken. |
CTRL+I |
| Subscript toepassen (automatische spatiëring). |
CTRL+GELIJKTEKEN |
| Superscript toepassen (automatische spatiëring). |
CTRL+SHIFT+PLUSTEKEN |
| Handmatige tekenopmaak verwijderen, zoals subscript en superscript. |
CTRL+SPATIEBALK |
| Een hyperlink invoegen. |
CTRL+K |
Tekstopmaak kopiëren
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Opmaak kopiëren. |
CTRL+SHIFT+C |
| Opmaak plakken. |
CTRL+SHIFT+V |
Alinea's uitlijnen
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Een alinea centreren. |
CTRL+E |
| Een alinea uitvullen. |
CTRL+J |
| Een alinea links uitlijnen. |
CTRL+L |
| Een alinea rechts uitlijnen. |
CTRL+R |
Een presentatie uitvoeren
U kunt de volgende sneltoetsen gebruiken terwijl u een diavoorstelling uitvoert in de volledige schermweergave.
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| De presentatie vanaf het begin starten. |
F5 |
| De volgende animatie starten of naar de volgende dia gaan. |
N, ENTER, PAGE DOWN, PIJL-RECHTS, PIJL-OMLAAG of SPATIEBALK |
| De vorige animatie starten of naar de vorige dia gaan. |
T, PAGE UP, PIJL-LINKS, PIJL-OMHOOG of BACKSPACE |
| Naar dia nummer. |
getal+ENTER |
| Een lege, zwarte dia weergeven of vanaf een lege, zwarte dia naar de presentatie terugkeren. |
Z of PUNT |
| Een lege, witte dia weergeven of vanaf een lege, witte dia naar de presentatie terugkeren. |
W of KOMMA |
| Een automatische presentatie stoppen of opnieuw starten. |
S |
| Een presentatie beëindigen. |
ESC of AFBREEKSTREEPJE |
| Aantekeningen op het scherm wissen. |
E |
| Naar de volgende dia gaan, als de volgende dia verborgen is. |
B |
| Nieuwe tijdsinstellingen instellen tijdens try-out. |
N |
| Oorspronkelijke tijdsinstellingen gebruiken tijdens try-out. |
O |
| Met een muisklik naar volgende dia gaan tijdens try-out. |
K |
| Terugkeren naar eerste dia. |
1+ENTER |
| Verborgen aanwijzer opnieuw weergeven of aanwijzer wijzigen in pen. |
CTRL+P |
| Verborgen aanwijzer opnieuw weergeven of aanwijzer wijzigen in pijl. |
CTRL+A |
| Aanwijzer en navigatieknop onmiddellijk verbergen. |
CTRL+H |
| Aanwijzer en navigatieknop na 15 seconden verbergen. |
CTRL+U |
| Snelmenu weergeven. |
SHIFT+F10 |
| Naar de eerste of volgende hyperlink op een dia gaan. |
TAB |
| Naar de laatste of vorige hyperlink op een dia gaan. |
SHIFT+TAB |
| De actie bij 'muisklik' voor de geselecteerde hyperlink uitvoeren. |
ENTER terwijl een hyperlink is geselecteerd |
Tip U kunt tijdens een presentatie met F1 een lijst met besturingselementen weergeven.
Bladeren in webpresentaties
De volgende toetsen zijn geschikt voor het bekijken van webpresentaties in Microsoft Internet Explorer 4.0 of hoger.
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Verdergaan door de hyperlinks in een webpresentatie, de adresbalk of de balk Koppelingen. |
TAB |
| Teruggaan door de hyperlinks in een webpresentatie, de adresbalk of de balk Koppelingen. |
SHIFT+TAB |
| De actie bij 'muisklik' voor de geselecteerde hyperlink uitvoeren. |
ENTER |
| Naar de volgende dia gaan. |
SPATIEBALK |
| Naar de vorige dia gaan. |
BACKSPACE |
Het selectiedeelvenster gebruiken
Gebruik de volgende sneltoetsen in het selectiedeelvenster.
| Als u dit wilt doen |
Drukt u op |
| Het selectiedeelvenster weergeven. |
ALT, C, D, S en vervolgens P |
| De focus tussen de verschillende deelvensters verplaatsen. |
F6 |
| Het contextmenu weergeven. |
SHIFT+F10 |
| De focus naar een item of naar een groep verplaatsen. |
PIJL-OMHOOG of PIJL-OMLAAG |
| De focus van een item in een groep naar de bovenliggende groep verplaatsen. |
PIJL-LINKS |
| De focus van een groep naar het eerste item in die groep verplaatsen. |
PIJL-RECHTS |
| De groep met focus en alle onderliggende groepen uitvouwen. |
* (alleen op het numerieke toetsenbord) |
| De groep met focus uitvouwen. |
+ (alleen op het numerieke toetsenbord) |
| De groep met focus samenvouwen. |
- (alleen op het numerieke toetsenbord) |
| De focus naar een item verplaatsen en dit item selecteren. |
SHIFT+PIJL-OMHOOG of SHIFT+PIJL-OMLAAG |
| Het item met focus selecteren. |
SPATIEBALK of ENTER |
| De selectie van het item met focus annuleren. |
SHIFT+SPATIEBALK of SHIFT+ENTER |
| Een geselecteerd item naar voren verplaatsen. |
CTRL+SHIFT+F |
| Een geselecteerd item naar achteren verplaatsen. |
CTRL+SHIFT+B |
| Het item met focus weergeven of verbergen. |
CTRL+SHIFT+S |
| De naam van het item met focus wijzigen. |
F2 |
| De focus binnen het selectiedeelvenster schakelen tussen de boomstructuurweergave en de knoppen Alles weergeven en Alles verbergen. |
TAB of SHIFT+TAB |
| Alle groepen samenvouwen. |
ALT+SHIFT+1 |
| Alle groepen uitvouwen. |
ALT+SHIFT+9 |
Als u in Office PowerPoint 2007 aangepaste sneltoetsen wilt toewijzen aan menu-items, opgenomen macro's en VBA (VBA (Visual Basic for Applications): de macrotaalversie van Microsoft Visual Basic voor het programmeren van toepassingen op basis van Microsoft Windows. VBA wordt bij diverse Microsoft-programma's geleverd.)-code (Visual Basic for Applications), moet u een invoegtoepassing van een andere leverancier gebruiken, zoals de Shortcut Manager for PowerPoint, die bij OfficeOne Add-Ins for PowerPoint (Engelstalig) verkrijgbaar is.