KPI-configuratieoverzicht

Wanneer u een nieuwe KPI (Key Performance Indicator) maakt of een bestaande KPI opent, worden in PerformancePoint Dashboard Designer automatisch een tabblad Editor en een tabblad Eigenschappen in de werkruimte weergegeven.

  • Gebruik het tabblad Editor om de waarden voor de KPI te configureren. U kunt bijvoorbeeld de weergave van cijfers, of het maken of wijzigen van KPI-gegevensbrontoewijzingen configureren, of drempelwaarden voor KPI-indicators opgeven. U kunt tevens opgeven hoe in PerformancePoint Monitoring Server de KPI-scores en totaalwaarden worden berekend.
  • Gebruik het tabblad Eigenschappen om de algemene eigenschappen voor de KPI te configureren. U kunt bijvoorbeeld de naam en de eigenaar opgeven, of aangepaste eigenschappen voor de KPI opgeven, zoals een koppeling naar extra informatie. U kunt ook opgeven wie onder welke voorwaarden toegang tot de KPI heeft.

Voor informatie over het maken van een nieuwe KPI raadpleegt u Een KPI maken.

Wat wilt u doen?


De werkruimte van Dashboard Designer openen om eigenschappen of instellingen te configureren

Wanneer u een KPI maakt, wordt in Dashboard Designer automatisch een werkruimte voor de KPI geopend, en worden het tabblad Editor en het tabblad Eigenschappen in het middelste deelvenster van die werkruimte geopend.

Als u echter een gepubliceerde KPI wilt configureren, moet u het volgende doen om een werkruimte voor die KPI te openen:

  1. Klik in de Werkruimtebrowser op KPI's om een lijst met KPI's in de werkruimte weer te geven.

Het middelste deelvenster in de werkruimte bevat twee tabbladen: Server en Werkruimte. Op het tabblad Server staan alle KPI's die gepubliceerd zijn naar Monitoring Server en die u mag weergeven. Op het tabblad Werkruimte vindt u alle KPI's die u hebt gemaakt of geopend in de werkruimte.

  1. Klik op het tabblad Werkruimte om de lijst met KPI's die beschikbaar in de werkruimte zijn weer te geven. Als de KPI die u wilt configureren niet wordt vermeld, klikt u op het tabblad Server en dubbelklikt u op de KPI die u wilt configureren.
  2. De tabbladen Editor en Eigenschappen worden in het middelste werkruimtedeelvenster weergegeven. Klik op het tabblad Editor om de waarden voor de KPI te configureren. Klik op het tabblad Eigenschappen om de eigenschappen of de machtigingen te configureren.

Terug naar boven Terug naar boven

Eigenschappen en instellingen voor de KPI configureren

Als u een KPI in een scorecard wilt gebruiken, moet u alle instellingen configureren die in de volgende tabel staan. U kunt de instellingen in een willekeurige volgorde configureren.

Tijdens het configureren van KPI-instellingen moet u rekening houden met een aantal belangrijke aspecten:

  • Elke KPI vertegenwoordigt een specifieke set parameters en elke set parameters staat in verbinding met een gegevensbron die die gegevens bevat. De ontwerper moet dus de KPI expliciet toewijzen aan de relevante gegevenssubset in de gegevensbron.
  • Elke KPI kan een ander soort prestatieparameter vertegenwoordigen. De waarde van één KPI kan bijvoorbeeld een eenvoudige telling van het aantal medewerkers zijn. Een andere KPI kan het percentage medewerkers zijn dat een hogere positie heeft gekregen. De ontwerper moet daarom aangeven hoe elke numerieke waarde wordt genoteerd en weergegeven.
  • Als in een KPI een reeks grafische indicators wordt gebruikt om de prestaties uit te drukken, moet de ontwerper opgeven welke indicator voor welke reeks waarden wordt gebruikt. Een ontwerper kan bijvoorbeeld opgeven dat de gemiddelde wachttijd voor de klantenservice minder dan twaalf minuten moet zijn en een pijl-omlaag kiezen om wachttijden die meer dan twaalf minuten bedragen aan te geven.

Klik voor meer informatie over een specifieke instelling op de relevante koppeling.

Configuratie-instelling of eigenschap Beschrijving
KPI-getalnotaties configureren Beschrijft de verschillende manieren waarop u een numerieke KPI-waarde kunt noteren.
KPI-eigenschappen en machtigingen configureren Beschrijft hoe u algemene instellingen instelt en aangepaste eigenschappen definieert.
Indicatoren instellen voor de doelwaarden van KPI's Beschrijft hoe u de drempelwaarden instelt die in Monitoring Server worden gebruikt om te bepalen wanneer de indicator die de staat van de KPI vertegenwoordigt, wordt gewijzigd.
Een gegevensbron toewijzen aan een KPI Beschrijft hoe u een KPI toewijst aan een vaste waarde of aan een multidimensionale gegevensbron.
De berekeningsinstelling voor een KPI opgeven Beschrijft hoe u de methode configureert die in Monitoring Server wordt gebruikt om een KPI-score te berekenen.

Terug naar boven Terug naar boven

Volgende stappen

Nadat u een KPI hebt geconfigureerd, kunt u deze in een scorecard gebruiken. Klik op de koppeling die het meeste overeenkomt met uw volgende taak of met uw algemene taak.

Scorecardrijen en -kolommen toevoegen, verwijderen of opnieuw rangschikken

Een scorecardhiërarchie maken of de plaats van een KPI in een hiërarchie wijzigen

Alle stappen die vereist zijn om een scorecard te maken


Terug naar boven Terug naar boven