Stapsgewijze instructies voor het maken van een grafiek

De wizard Grafieken is niet langer beschikbaar in Microsoft Excel. In plaats daarvan kunt u een basisgrafiek maken door op het tabblad Invoegen in de groep Grafieken op het gewenste grafiektype te klikken. Vervolgens kunt u doorgaan met de volgende stappen van de onderstaande stapsgewijze procedure om een grafiek te maken die de gewenste details weergeeft.

Wat wilt u doen?


Meer informatie over grafieken

Grafieken worden gebruikt om reeksen numerieke gegevens weer te geven in een grafische indeling, zodat het gemakkelijker is om inzicht te krijgen in grote hoeveelheden gegevens en de relatie tussen verschillende reeksen gegevens.

Als u een grafiek wilt maken in Excel, begint u met het invoeren van de numerieke gegevens voor de grafiek op een werkblad (werkblad: het primaire document dat u in Microsoft Excel gebruikt om gegevens te bewerken en op te slaan. Een werkblad wordt ook wel een spreadsheet genoemd. Een werkblad bestaat uit cellen die zijn geordend in kolommen en rijen, en wordt altijd opgeslagen in een werkmap.). Vervolgens kunt u de gegevens uitzetten in een grafiek door op het tabblad Invoegen in de groep Grafieken het grafiektype te selecteren dat u wilt gebruiken.


Werkbladgegevens en grafiek

Toelichting 1 Werkbladgegevens
Toelichting 2 Grafiek gemaakt op basis van werkbladgegevens

Excel ondersteunt een groot aantal grafiektypen waarmee u gegevens op diverse manieren kunt presenteren. Wanneer u een grafiek maakt of een bestaande grafiek wijzigt, kunt u kiezen uit een groot assortiment aan grafiektypen (zoals een kolomdiagram of een cirkeldiagram) en de bijbehorende subtypen (zoals een gestapeld kolomdiagram of een cirkeldiagram met 3D-opmaak). U kunt ook een combinatiediagram maken door meerdere grafiektypen in uw grafiek op te nemen.


Combinatiediagram

Voorbeeld van een combinatiediagram waarvoor een kolomdiagram en een lijndiagram zijn gebruikt.

Zie Beschikbare grafiektypen voor meer informatie over de grafiektypen die u in Excel kunt selecteren..

Meer informatie over de elementen van een grafiek

Een grafiek heeft veel elementen. Sommige van deze elementen worden standaard weergegeven, andere kunnen naar wens worden toegevoegd. U kunt de weergave van grafiekelementen wijzigen door deze naar andere locaties in de grafiek te verplaatsen, het formaat ervan te wijzigen of de indeling ervan te wijzigen. U kunt ook grafiekelementen verwijderen die u niet wilt weergeven.

Een grafiek en de elementen ervan

Terug naar boven Terug naar boven

Een basisgrafiek aanpassen aan uw wensen

Nadat u een grafiek hebt gemaakt, kunt u alle elementen daarvan aanpassen. U wilt bijvoorbeeld de manier wijzigen waarop in assen worden weergegeven, een grafiektitel toevoegen, de legenda verplaatsen of verbergen, of extra grafiekelementen toevoegen.

Ga als volgt te werk als u een grafiek wilt wijzigen:

Terug naar boven Terug naar boven

Een vooraf gedefinieerde grafiekstijl en grafiekindeling gebruiken voor een professioneel uiterlijk

In plaats van het handmatig toevoegen of wijzigen van grafiekelementen of het opmaken van de grafiek kunt u snel een vooraf gedefinieerde grafiekindeling en grafiekstijl toepassen op de grafiek. In Excel beschikt u over diverse handige, vooraf gedefinieerde indelingen en stijlen. Het is echter mogelijk om de indeling of de stijl desgewenst nauwkeuriger aan uw wensen aan te passen door handmatig wijzigingen aan te brengen in de indeling en de opmaak van afzonderlijke grafiekelementen, zoals het grafiekgebied, het tekengebied, de gegevensreeksen of de legenda van de grafiek.

Als u een vooraf gedefinieerde grafiekindeling toepast, wordt een specifieke set grafiekelementen (zoals titels, een legenda, een gegevenstabel of gegevenslabels) in de grafiek weergegeven in een bepaalde indeling. U kunt voor elk grafiektype diverse indelingen selecteren.

Als u een vooraf gedefinieerde stijl toepast, wordt de grafiek opgemaakt op basis van het documentthema (thema: een verzameling van uniforme ontwerpelementen, waaronder kleurencombinaties, lettertypen en grafische afbeeldingen, waarmee u bepaalt hoe een document eruitziet.) dat u hebt toegepast, zodat de grafiek aansluit bij het kleurenthema (themakleuren: een set kleuren die in een bestand wordt gebruikt. Themakleuren, themalettertypen en thema-effecten vormen een thema.) (een kleurenset), lettertypenthema (themalettertypen: een set grote en kleine lettertypen die in een bestand wordt gebruikt. Themalettertypen, themakleuren en thema-effecten vormen een thema.) (een set lettertypen voor koppen en hoofdtekst) en effectenthema (thema-effecten: een set visuele kenmerken die wordt toepgepast op elementen in een bestand. Thema-effecten, themakleuren en themalettertypen vormen een thema.) (een set lijnen en opvuleffecten) van uzelf of uw organisatie.

U kunt niet uw eigen grafiekindelingen of -stijlen maken, maar u kunt wel grafieksjablonen maken die de gewenste grafiekindeling en -opmaak omvatten.

Terug naar boven Terug naar boven

Visueel aantrekkelijke opmaak toevoegen aan een grafiek

Naast de toepassing van een vooraf gedefinieerde grafiekstijl kunt u gemakkelijk opmaak toepassen op afzonderlijke grafiekelementen zoals gegevensmarkeringen, het grafiekgebied, het tekengebied en de cijfers en tekst in titels en labels, om de grafiek uniek en visueel aantrekkelijk te maken. U kunt specifieke stijlen voor vormen en voor WordArt toepassen, en u kunt de vormen en de tekst van grafiekelementen ook handmatig opmaken.

Voer een of meer van de volgende handelingen uit om opmaak toe te voegen:

  • Grafiekelementen opvullen    U kunt met kleuren, patronen, afbeeldingen en kleurovergangen de aandacht richten op specifieke grafiekelementen.
  • De rand van grafiekelementen wijzigen    U kunt met kleuren, lijnstijlen en lijndikten bepaalde grafiekelementen benadrukken.
  • Speciale effecten toevoegen aan grafiekelementen    U kunt speciale effecten, zoals schaduw, weerspiegeling, gloed, vloeiende randen, schuine randen en 3D-draaiing toepassen op grafiekelementvormen, waardoor u de grafiek een verzorgd uiterlijk geeft.
  • Tekst en cijfers opmaken    U kunt tekst en cijfers in titels, labels en tekstvakken in een grafiek opmaken net als de tekst en cijfers in een werkblad. Als u tekst en cijfers extra nadruk wilt geven, kunt u zelfs WordArt-stijlen toepassen.

Terug naar boven Terug naar boven

Grafieken hergebruiken met grafieksjablonen

Als u een grafiek die u aan uw eigen situatie hebt aangepast opnieuw wilt gebruiken, kunt u de grafiek opslaan als grafieksjabloon (.CRTX) in de map met grafieksjablonen. Als u dan een nieuwe grafiek maakt, kunt u de grafieksjabloon toepassen op dezelfde wijze als een ingebouwd grafiektype. Grafieksjablonen zijn aangepaste grafiektypen, waarmee u het grafiektype van een bestaande grafiek kunt wijzigen. Als u een bepaalde grafieksjabloon regelmatig gebruikt, kunt u deze opslaan als het standaard grafiektype. 

Terug naar boven Terug naar boven

Stap 1: Een basisgrafiek maken

In de meeste grafieken, zoals kolom- en staafdiagrammen, kunt u de gegevens die u schikt in rijen en kolommen in een werkblad (werkblad: het primaire document dat u in Microsoft Excel gebruikt om gegevens te bewerken en op te slaan. Een werkblad wordt ook wel een spreadsheet genoemd. Een werkblad bestaat uit cellen die zijn geordend in kolommen en rijen, en wordt altijd opgeslagen in een werkmap.) uitzetten in een grafiek. Voor sommige grafiektypen, zoals cirkel- en bellendiagrammen, moeten de gegevens echter op een speciale manier worden geschikt.

  1. Schik op het werkblad de gegevens die u wilt uitzetten in een grafiek.

U kunt de gegevens schikken in rijen of kolommen. Excel bepaalt automatisch de beste manier om de gegevens uit te zetten in de grafiek. Voor sommige grafiektypen, zoals cirkel- en bellendiagrammen, moeten gegevens op een speciale manier worden geschikt.

WeergevenGegevens schikken op het werkblad

Voor dit grafiektype Schikt u de gegevens
Kolom-, staaf-, lijn-, gebied-, oppervlak- of radargrafiek

In kolommen of rijen, bijvoorbeeld:

Lorem Ipsum
1 2
3 4

Of:

Lorem 1 3
Ipsum 2 4
Cirkel- of ringdiagram

Voor een gegevensreeks (gegevensreeks: verwante gegevenspunten die worden weergegeven in een grafiek. Elke gegevensreeks in een grafiek heeft een unieke kleur of uniek patroon en is vermeld in de grafieklegenda. U kunt een of meer gegevensreeksen in een grafiek weergeven. Cirkeldiagrammen hebben slechts één gegevensreeks.), in één kolom of rij met gegevens en één kolom of rij met gegevenslabels, bijvoorbeeld:

A 1
B 2
C 3

Of:

A B C
1 2 3

Voor meerdere gegevensreeksen, in meerdere rijen met gegevens en één kolom of rij met gegevenslabels, bijvoorbeeld:

A 1 2
B 3 4
C 5 6

Of:

A B C
1 2 3
4 5 6
Spreidings- of bellendiagram

In kolommen, waarbij x-waarden in de eerste kolom worden geplaatst en corresponderende y-waarden en/of waarden voor de belgrootte in aangrenzende kolommen, bijvoorbeeld:

x y Belgrootte
1 2 3
4 5 6
Hoog/laag/slot-diagram

In kolommen of rijen in de volgende ordening, waarbij namen of datums als labels worden gebruikt:

hoge waarden, lage waarden en slotwaarden

Zoals:

Datum Hoog Laag Sluiten
01.01.2002 46,125 42 44,063

Of:

Datum 01.01.2002
Hoog 46,125
Laag 42
Sluiten 44,063
  1. Selecteer de cellen met de gegevens die u wilt gebruiken.

Tip    Als u maar één cel selecteert, zet Excel automatisch alle aangrenzende cellen die gegevens bevatten uit in een grafiek. Als de cellen die u in een grafiek wilt uitzetten zich niet in een aaneengesloten bereik bevinden, kunt u niet-aangrenzende cellen of bereiken selecteren zolang de selectie een rechthoek vormt. U kunt ook de rijen of kolommen die u niet wilt uitzetten in de grafiek verbergen.

WeergevenCellen, bereiken, rijen of kolommen selecteren

Gewenste selectie Werkwijze
Eén cel Klik in de cel of gebruik de pijltoetsen om naar de cel te gaan.
Een reeks cellen

Klik op de eerste cel van het bereik en sleep naar de laatste cel. Of houd Shift ingedrukt en druk op de pijltoetsen om de selectie uit te breiden.

U kunt ook de eerste cel van het bereik selecteren en vervolgens op F8 drukken om de selectie uit te breiden met de pijltoetsen. Druk nogmaals op F8 om te stoppen met het uitbreiden van de selectie.

Een groot cellenbereik Klik op de eerste cel van het bereik en houd Shift ingedrukt terwijl u op de laatste cel van het bereik klikt. U kunt schuiven om de laatste cel zichtbaar te maken.
Alle cellen in een werkblad

Klik op de knop Alles selecteren.

Knop Alles selecteren

U kunt het hele werkblad ook selecteren door op Ctrl+A te drukken.

 Opmerking   Als het werkblad gegevens bevat, selecteert u met Ctrl+A het huidige gebied. Als u nogmaals op Ctrl+A drukt, selecteert u het gehele werkblad.

Niet-aangrenzende cellen of cellenbereiken

Selecteer de eerste cel of het eerste celbereik en houd Ctrl ingedrukt terwijl u de andere cellen of bereiken selecteert.

U kunt ook de eerste cel of het eerste cellenbereik selecteren en vervolgens op Shift+F8 drukken om een andere niet-aangrenzende cel of niet-aangrenzend bereik toe te voegen aan de selectie. Druk opnieuw op Shift+F8 wanneer u het het toevoegen van cellen of bereiken wilt beëindigen.

 Opmerking   U kunt de selectie van een cel of cellenbereik in een niet-aangrenzende selectie niet opheffen zonder de hele selectie op te heffen.

Een hele rij of kolom

Klik op de rij- of kolomkop.

Werkblad met zichtbare rij- en kolomkop

Toelichting 1 Rijkop
Toelichting 2 Kolomkop

U kunt cellen in een rij of kolom ook selecteren door de eerste cel te selecteren en vervolgens op de toets Ctrl+Shift+Pijl te drukken (Pijl-rechts of Pijl-links voor rijen, Pijl-omhoog of Pijl-omlaag voor kolommen).

 Opmerking   Als de rij of kolom gegevens bevat, selecteert u met de toets Ctrl+Shift+Pijl de rij of kolom tot en met de laatste gebruikte cel. Als u nogmaals op de toets Ctrl+Shift+Pijl drukt, wordt de hele rij of kolom geselecteerd.

Aangrenzende rijen of kolommen Sleep over de rij- of kolomkoppen. U kunt ook de eerste rij of kolom selecteren en vervolgens Shift ingedrukt houden terwijl u de laatste rij of kolom selecteert.
Niet-aangrenzende rijen of kolommen Klik op de kolom- of rijkop van de eerste rij of kolom van de selectie en houd vervolgens Ctrl ingedrukt terwijl u op de rij- of kolomkoppen klikt van andere rijen en kolommen die u aan de selectie wilt toevoegen.
De eerste of laatste cel in een rij of kolom Selecteer een cel in de rij of kolom en druk vervolgens op de toets Ctrl+Pijl (Pijl-rechts of Pijl-links voor rijen, Pijl-omhoog of Pijl-omlaag voor kolommen).
De eerste of laatste cel in een werkblad of een tabel van Microsoft Office Excel

Druk op Ctrl+Home om de eerste cel in het werkblad of in een Excel-lijst te selecteren.

Druk op Ctrl+End om de laatste cel in het werkblad of in een Excel-lijst met gegevens of opmaak te selecteren.

Cellen tot de laatste gebruikte cel in het werkblad (in de rechterbenedenhoek). Selecteer de eerste cel en druk vervolgens op Ctrl+Shift+End om de selectie van cellen uit te breiden tot de laatste gebruikte cel in het werkblad (in de rechterbenedenhoek).
Cellen tot het begin van het werkblad Selecteer de eerste cel en druk vervolgens op Ctrl+Shift+Home om de selectie van cellen uit te breiden tot het begin van het werkblad.
Meer of minder cellen dan de actieve selectie Houd Shift ingedrukt terwijl u op de laatste cel klikt die u wilt opnemen in de nieuwe selectie. Het rechthoekige gebied tussen de actieve cel en de cel waarop u klikt, wordt de nieuwe selectie.

 Tip   Als u de celselectie wilt annuleren, klikt u op een willekeurige cel op het werkblad.

  1. Voer op het tabblad Invoegen in de groep Grafieken een van de volgende handelingen uit:
    • Klik op het grafiektype en klik vervolgens op het grafieksubtype dat u wilt gebruiken.
    • Als u alle beschikbare grafiektypen wilt zien, klikt u op Knopafbeelding om het dialoogvenster Grafiek invoegen te openen. Klik vervolgens op de pijltjes om door de grafiektypen te bladeren.

Afbeelding Excel-lint

Tip    Wanneer u de muisaanwijzer op een grafiektype of een grafieksubtype houdt, wordt in de scherminfo de naam van het grafiektype weergegeven. Zie Beschikbare grafiektypen voor meer informatie over de grafiektypen die u kunt gebruiken.

  1. De grafiek wordt standaard op het werkblad geplaatst als een ingesloten grafiek (ingesloten grafiek: een grafiek die is opgenomen in een werkblad, dus niet op een afzonderlijk grafiekblad staat. Ingesloten grafieken zijn handig als u een grafiek of draaigrafiekrapport samen met de brongegevens of andere gegevens in een werkblad wilt weergeven of afdrukken.). Als u de grafiek op een afzonderlijk grafiekblad (grafiekblad: een blad in een werkmap dat alleen een grafiek bevat. Een grafiekblad is handig als u een grafiek of een draaigrafiekrapport gescheiden van de werkbladgegevens of het draaitabelrapport wilt weergeven.) wilt plaatsen, kunt u de locatie ervan als volgt wijzigen:
  1. Klik ergens in de ingesloten grafiek om deze te activeren.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Klik op het tabblad Ontwerp in de groep Locatie op Grafiek verplaatsen.

Afbeelding van lint

  1. Voer een van de volgende handelingen uit onder Kies de locatie van de grafiek:
    • Klik op Nieuw blad als u de grafiek wilt weergeven in een grafiekblad.

Tip    Als u de voorgestelde naam van de grafiek wilt vervangen, kunt u een nieuwe naam typen in het vak Nieuw blad.

  • Als u de grafiek wilt weergeven als een ingesloten grafiek op een werkblad, klikt u op Object in en vervolgens op een werkblad in het vak Object in.
  1. Excel wijst automatisch een naam toe aan de grafiek, bijvoorbeeld Grafiek1 als het de eerste grafiek is die u op een werkblad maakt. Ga als volgt te werk om de naam van de grafiek te wijzigen:
  1. Klik op de grafiek.
  2. Klik, op het tabblad Indeling in de groep Eigenschappen op het tekstvak Grafieknaam.

Tip    Klik indien nodig op het pictogram Eigenschappen in de groep Eigenschappen om de groep uit te vouwen.

  1. Typ een nieuwe naam.
  2. Druk op ENTER.

Opmerkingen    

  • Als u snel een grafiek wilt maken die is gebaseerd op het standaardgrafiektype, selecteert u de gegevens die u voor de grafiek wilt gebruiken en klikt u vervolgens op Alt+F1 of F11. Wanneer u op Alt+F1 drukt, wordt de grafiek weergegeven als een ingesloten grafiek. Wanneer u op F11 drukt, wordt de grafiek weergegeven op een afzonderlijk grafiekblad.
  • Als u een grafiek niet meer nodig hebt, kunt u deze verwijderen. Klik op de grafiek om deze te selecteren en druk op Delete.

Terug naar boven Terug naar boven

Stap 2: De indeling of opmaak van een grafiek wijzigen

Nadat u een grafiek hebt gemaakt, kunt u het uiterlijk van de grafiek direct wijzigen. In plaats van de grafiek handmatig aan te passen door er elementen of opmaak aan toe te voegen of erin te wijzigen, kunt u snel een vooraf gedefinieerde indeling en opmaak op de grafiek toepassen. In Excel kunt u diverse handige, vooraf gedefinieerde indelingen en stijlen selecteren (of snelle indelingen en snelle stijlen). U kunt deze desgewenst verder aanpassen door de indeling en opmaak van afzonderlijke grafiekelementen handmatig te wijzigen.

Een vooraf gedefinieerde grafiekindeling toepassen

  1. Klik ergens in de grafiek die u wilt indelen met een vooraf gedefinieerde grafiekindeling.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Selecteer de gewenste grafiekindeling op het tabblad Ontwerpen in de groep Grafiekindeling.

Afbeelding van lint

Opmerking    Als het Excel-venster wordt verkleind, zijn grafiekindelingen beschikbaar in de galerie Snelle indeling in de groep Grafiekindeling.

Tip    Als u elke beschikbare indeling wilt bekijken, klikt u op Meer.Knopafbeelding

Terug naar boven Terug naar boven

Een vooraf gedefinieerde grafiekopmaak toepassen

  1. Klik ergens in de grafiek die u wilt indelen met een vooraf gedefinieerde grafiekopmaak.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Klik op het tabblad Ontwerp in de groep Grafiekstijlen op de gewenste grafiek- of diagramstijl.

Afbeelding van lint

Opmerking    Als het Excel-venster wordt verkleind, zijn grafiekstijlen beschikbaar in de galerie Snelle stijlen voor grafieken in de groep Stijlen.

Tip    Als u voorgedefinieerde grafiekstijlen wilt bekijken, klikt u op Meer.Knopafbeelding

Terug naar boven Terug naar boven

De indeling van grafiekelementen handmatig wijzigen

  1. Klik in een grafiek op het grafiekelement waarvan u de indeling wilt wijzigen of doe het volgende om dit item te selecteren in een lijst met grafiekelementen:
    1. Klik ergens in de grafiek om de Hulpmiddelen voor grafieken weer te geven.
    2. Klik op het tabblad Opmaak in de groep Huidige selectie op de pijl in het vak Grafiekelementen en klik vervolgens op het gewenste grafiekelement.

Afbeelding van lint

  1. Klik op het tabblad Indeling in de groep Labels, Assen of Achtergrond op de knop van het grafiekelement dat overeenkomt met het grafiekelement dat u hebt geselecteerd en klik op de gewenste indelingsoptie.

Afbeelding van lint

Afbeelding van lint

Afbeelding van lint

Opmerking    De indelingsoptie die u hebt geselecteerd, wordt op het geselecteerde grafiekelement toegepast. Als u bijvoorbeeld de hele grafiek hebt geselecteerd, worden op elke gegevensreeks (gegevenslabel: een label die aanvullende informatie verschaft over een gegevensmarkering. Met gegevensmarkeringen worden afzonderlijke gegevenspunten of waarden weergegeven die afkomstig zijn van een cel in een gegevensblad.) gegevenslabels (gegevensreeks: verwante gegevenspunten die worden weergegeven in een grafiek. Elke gegevensreeks in een grafiek heeft een unieke kleur of uniek patroon en is vermeld in de grafieklegenda. U kunt een of meer gegevensreeksen in een grafiek weergeven. Cirkeldiagrammen hebben slechts één gegevensreeks.) toegepast. Als u één gegevenspunt hebt geselecteerd, worden gegevenslabels alleen toegepast op de geselecteerde gegevensreeks of het geselecteerde gegevenspunt.

Terug naar boven Terug naar boven

De indeling van grafiekelementen handmatig wijzigen

  1. Klik in een grafiek op het grafiekelement waarvan u de stijl wilt wijzigen of doe het volgende om dit item te selecteren in een lijst met grafiekelementen:
    1. Klik ergens in de grafiek om de Hulpmiddelen voor grafieken weer te geven.
    2. Klik op het tabblad Opmaak in de groep Huidige selectie op de pijl in het vak Grafiekelementen en klik vervolgens op het gewenste grafiekelement.

Afbeelding van lint

  1. Voer een of meer van de volgende handelingen uit op het tabblad Opmaak:
  • Als u een geselecteerd grafiekelement wilt opmaken, klikt u in de groep Huidige selectie op Selectie opmaken en selecteert u de gewenste opmaakopties.
  • Als u de vorm van een geselecteerd grafiekelement wilt opmaken, klikt u in de groep Vormstijlen op de gewenste stijl of klikt u op Opvulling van vorm, Omtrek van vorm of Vormeffecten en selecteert u de gewenste opmaakopties.
  • Als u de tekst in een geselecteerd grafiekelement wilt opmaken met WordArt, klikt u in de groep Stijlen voor WordArt op de gewenste stijl. U kunt ook op Tekstopvulling, Tekstkader of Teksteffecten klikken en de gewenste opmaakopties selecteren.

Opmerking    Nadat u een WordArt-stijl hebt toegepast, kunt u de WordArt-opmaak niet meer verwijderen. Als u de WordArt-stijl die u hebt toegepast niet wilt hebben, kunt u een andere WordArt-stijl selecteren, of u kunt op de Werkbalk Snelle toegang op Ongedaan maken klikken om terug te keren naar de eerdere tekstindeling.

Tip    Als u gewone tekstopmaak wilt gebruiken voor het opmaken van de tekst in grafiekelementen, kunt u met de rechtermuisknop klikken of de tekst selecteren en vervolgens op de gewenste opmaakopties klikken op de miniwerkbalk. U kunt ook gebruikmaken van de opmaakknoppen op het lint (tabblad Start, groep Lettertype).

Terug naar boven Terug naar boven

Stap 3: Titels of gegevenslabels toevoegen of verwijderen

Als u een grafiek begrijpelijker wilt maken, kunt u titels (titels in grafieken: beschrijvende tekst die automatisch wordt uitgelijnd met een as of wordt gecentreerd boven een grafiek.) toevoegen, zoals een grafiektitel en astitels. Astitels zijn in principe beschikbaar voor alle assen (as: een lijn die het tekengebied begrenst en een referentiekader vormt voor het meten. De Y-as loopt meestal verticaal en bevat gegevens. De x-as loopt meestal horizontaal en bevat categorieën.) die in een grafiek kunnen worden weergegeven, inclusief de diepteas (reeksenas) in een 3D-grafiek. Sommige grafiektypen (zoals radardiagrammen) hebben wel assen, maar toch kunnen er geen astitels op worden weergegeven. Op grafiektypen die geen assen hebben (zoals cirkel- en kringdiagrammen) kunnen ook geen astitels worden weergegeven.

U kunt grafiek- en astitels ook koppelen aan bijbehorende tekst in werkblad (werkblad: het primaire document dat u in Microsoft Excel gebruikt om gegevens te bewerken en op te slaan. Een werkblad wordt ook wel een spreadsheet genoemd. Een werkblad bestaat uit cellen die zijn geordend in kolommen en rijen, en wordt altijd opgeslagen in een werkmap.)cellen door een verwijzing naar die cellen te maken. Gekoppelde titels worden in de grafiek automatisch bijgewerkt wanneer u wijzigingen aanbrengt in de bijbehorende tekst in het werkblad.

Als u een gegevensreeks (gegevensreeks: verwante gegevenspunten die worden weergegeven in een grafiek. Elke gegevensreeks in een grafiek heeft een unieke kleur of uniek patroon en is vermeld in de grafieklegenda. U kunt een of meer gegevensreeksen in een grafiek weergeven. Cirkeldiagrammen hebben slechts één gegevensreeks.) in een grafiek snel wilt identificeren, kunt u gegevenslabels (gegevenslabel: een label die aanvullende informatie verschaft over een gegevensmarkering. Met gegevensmarkeringen worden afzonderlijke gegevenspunten of waarden weergegeven die afkomstig zijn van een cel in een werkblad.) toevoegen aan de gegevenspunten (gegevenspunten: afzonderlijke waarden die zijn uitgezet in een grafiek en worden weergegeven als staven, kolommen, lijnen, cirkel- of ringsegmenten, punten en verscheidene andere vormen die gegevensmarkeringen worden genoemd. Gegevensmarkeringen van dezelfde kleur vormen een gegevensreeks.) van de grafiek. Standaard zijn de gegevenslabels gekoppeld aan waarden op het werkblad en worden ze automatisch bijgewerkt als er wijzigingen optreden in die waarden.

Een grafiektitel toevoegen

  1. Klik ergens in de grafiek waaraan u een titel wilt toevoegen.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Klik op het tabblad Indeling in de groep Labels op Grafiektitel.

Afbeelding van lint

  1. Klik op Gecentreerde overlay-titel of op Boven grafiek.
  2. Typ de gewenste tekst in het tekstvak Grafiektitel dat in de grafiek verschijnt.

Tip    Als u een regeleinde wilt invoegen, klikt u op de positie waar u de muisaanwijzer wilt plaatsen en drukt u vervolgens op ENTER.

  1. U kunt de tekst opmaken door deze te selecteren en op de gewenste opmaakopties op de miniwerkbalk te klikken.

Tip    U kunt ook gebruikmaken van de opmaakknoppen op het lint (tabblad Start, groep Lettertype). Als u de hele titel wilt opmaken, klikt u met de rechtermuisknop op de titel, klikt u op Grafiektitel opmaken en selecteert u vervolgens de gewenste opmaakopties.

Terug naar boven Terug naar boven

Astitels toevoegen

  1. Klik ergens in de grafiek waaraan u astitels wilt toevoegen.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Klik op het tabblad Indeling in de groep Labels op Astitels.

Afbeelding van lint

  1. Voer een of meer van de volgende bewerkingen uit:
    • Als u een titel wilt toevoegen aan een primaire horizontale as (categorieas) klikt u op Titel van primaire horizontale as en vervolgens op de gewenste optie.

Tip    Als de grafiek een secundaire horizontale as bevat, kunt u ook op Titel van secundaire horizontale as klikken.

  • Als u een titel wilt toevoegen aan een primaire verticale as (waardenas) klikt u op Titel van primaire verticale as en vervolgens op de gewenste optie.

Tip    Als de grafiek een secundaire verticale as bevat, kunt u ook op Titel van secundaire verticale as klikken.

  • Als u een titel wilt toevoegen aan een diepteas (reeksenas), klikt u op Titel van diepteas en vervolgens op de gewenste optie.

Opmerking    Deze optie is alleen beschikbaar als de geselecteerde grafiek een echte 3D-grafiek is, zoals een 3D-kolomdiagram.

  1. Typ in het tekstvak Astitel dat in de grafiek verschijnt de gewenste tekst.

Tip    Als u een regeleinde wilt invoegen, klikt u op de positie waar u de muisaanwijzer wilt plaatsen en drukt u vervolgens op ENTER.

  1. U kunt de tekst opmaken door deze te selecteren en op de gewenste opmaakopties op de miniwerkbalk te klikken.

Tip    U kunt ook gebruikmaken van de opmaakknoppen op het lint (tabblad Start, groep Lettertype). Als u de hele titel wilt opmaken, klikt u met de rechtermuisknop op de titel, klikt u op Astitel opmaken en selecteert u vervolgens de gewenste opmaakopties.

Opmerkingen    

  • Als u overschakelt op een ander grafiektype dat geen ondersteuning biedt voor astitels (zoals een cirkeldiagram), worden de astitels niet meer weergegeven. De titels worden weer weergegeven als u later weer overschakelt naar een grafiektype dat wel ondersteuning biedt voor astitels.
  • Astitels die worden weergegeven voor secundaire assen gaan verloren als u overschakelt op een grafiektype waarin geen secundaire assen worden weergegeven.

Terug naar boven Terug naar boven

Een titel koppelen aan een werkbladcel

  1. Klik in een grafiek op de grafiek- of astitel die u wilt koppelen aan een werkbladcel.
  2. Klik in het werkblad op de formulebalk (formulebalk: een balk boven in het Microsoft Excel-venster waarmee u waarden of formules in cellen of grafieken invoert of bewerkt. Op deze balk wordt de constante waarde of de formule weergegeven die in de actieve cel is opgeslagen.) en typ vervolgens het gelijkteken (=).
  3. Selecteer de werkbladcel met de gegevens of tekst die u wilt weergeven in de grafiek.

Tip    U kunt de verwijzing naar de werkbladcel ook in de formulebalk typen. In deze verwijzing neemt u een gelijkteken op, de bladnaam, gevolgd door een uitroepteken, bijvoorbeeld: =Blad1!F2.

  1. Druk op ENTER.

Terug naar boven Terug naar boven

Gegevenslabels toevoegen

  1. Voer in een grafiek een van de volgende handelingen uit:
    • Als u een gegevenslabel wilt toevoegen aan alle gegevenspunten van alle gegevensreeksen, klikt u op het grafiekgebied (grafiekgebied: de hele grafiek en alle elementen daarin.).
    • Als u een gegevenslabel wilt toevoegen aan alle gegevenspunten van een gegevensreeks, klikt u ergens in de gegevensreeks die u van een label wilt voorzien.
    • Als u een gegevenslabel wilt toevoegen aan één gegevenspunt in een gegevensreeks, klikt u op de gegevensreeks die het gegevenspunt bevat dat u van een label wilt voorzien en klikt u vervolgens op het betreffende gegevenspunt.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Klik op het tabblad Indeling in de groep Labels op Gegevenslabels en vervolgens op de gewenste weergaveoptie.

Afbeelding van lint

Opmerking    Afhankelijk van het gebruikte grafiektype krijgt u verschillende opties voor gegevenslabels te zien.

Terug naar boven Terug naar boven

Titels of gegevenslabels verwijderen uit een grafiek

  1. Klik op de grafiek.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Voer een van de volgende handelingen uit op het tabblad Indeling in de groep Labels:

Afbeelding van lint

Tip    Als u snel een titel of gegevenslabel wilt verwijderen, kunt u ook op de betreffende titel of het gegevenslabel klikken en vervolgens op Delete drukken.

Terug naar boven Terug naar boven

Stap 4: Een legenda weergeven of verbergen

Wanneer u een grafiek maakt, wordt de legenda (legenda: een vak waarin de patronen of kleuren worden aangegeven die aan de gegevensreeksen of categorieën in een grafiek zijn toegekend.) weergegeven, maar u kunt de legenda verbergen of de locatie ervan wijzigen nadat u de grafiek hebt gemaakt.

  1. Klik op de grafiek waarin u een legenda wilt weergeven of verbergen.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Klik op het tabblad Indeling in de groep Labels op Legenda.

Afbeelding van lint

  1. Voer een van de volgende handelingen uit:
    • Als u de legenda wilt verbergen, klikt u op Geen.

Tip    Als u een legenda of legendagegeven snel uit een grafiek wilt verwijderen, kunt u de legenda of het gegeven selecteren en vervolgens op Delete drukken. U kunt ook met de rechtermuisknop op de legenda of het legendagegeven klikken en vervolgens op Verwijderen klikken.

  • Als u een legenda wilt weergeven, klikt u op de gewenste weergaveoptie.

Opmerking    Wanneer u op een van de weergaveopties klikt, wordt de legenda verplaatst en wordt het tekengebied (tekengebied: in een 2D-grafiek is dit het gebied dat wordt begrensd door de assen en dat alle gegevensreeksen bevat. In een 3D-grafiek is dit het gebied dat wordt begrensd door de assen en dat de gegevensreeksen, categorienamen, maatstreeplabels en astitels bevat.) automatisch aangepast om ruimte te maken voor de legenda. Als u de legenda met de muis verplaatst of groter of kleiner maakt, wordt het tekengebied niet automatisch aangepast.

  • Klik voor extra opties op Meer opties voor legenda en selecteer vervolgens de gewenste weergaveopties.

Tip    Standaard overlapt een legenda de grafiek niet. Als de ruimte echter beperkt is, kunt u de grafiek wellicht minder groot maken door het selectievakje De legenda weergeven zonder dat deze de grafiek overlapt uit te schakelen.

Tip    Wanneer in een grafiek een legenda wordt weergegeven, kunt u de afzonderlijke legendagegevens aanpassen door de corresponderende gegevens op het werkblad te bewerken. Als u extra bewerkingsopties wilt gebruiken of als u legendagegevens wilt aanpassen zonder dat dat invloed heeft op de werkbladgegevens, kunt u wijzigingen aanbrengen in de legendagegevens in het dialoogvenster Gegevensbron selecteren (tabblad.Ontwerp, groep Gegevens, knop Gegevens selecteren).

Terug naar boven Terug naar boven

Stap 5: Grafiekassen of rasterlijnen weergeven of verbergen

Wanneer u een grafiek maakt, worden voor de meeste grafiektypen primaire assen (as: een lijn die het tekengebied begrenst en een referentiekader vormt voor het meten. De Y-as loopt meestal verticaal en bevat gegevens. De x-as loopt meestal horizontaal en bevat categorieën.) weergegeven. U kunt deze naar wens in- of uitschakelen. Wanneer u assen toevoegt, kunt u opgeven welk detailniveau u de assen wilt laten weergeven. Wanneer u een 3D-grafiek maakt, wordt een diepteas weergegeven.

Als het waardebereik van gegevensreeksen (gegevensreeks: verwante gegevenspunten die worden weergegeven in een grafiek. Elke gegevensreeks in een grafiek heeft een unieke kleur of uniek patroon en is vermeld in de grafieklegenda. U kunt een of meer gegevensreeksen in een grafiek weergeven. Cirkeldiagrammen hebben slechts één gegevensreeks.) binnen een grafiek sterk verschilt of als u met meerdere typen gegevens werkt (bijvoorbeeld prijs- en volumegegevens), kunt u een of meer gegevensreeksen uitzetten op een secundaire verticale as (waardeas). De schaal van de secundaire verticale as komt overeen met de waarden voor de bijbehorende gegevensreeks. Nadat u een secundaire verticale as hebt toegevoegd aan een grafiek, kunt u ook een secundaire horizontale as (categorieas) toevoegen. Dit kan handig zijn in een spreidingsdiagram of in een bellendiagram.

U kunt een grafiek gemakkelijker te lezen maken door horizontale en verticale grafiekrasterlijnen die vanaf de horizontale en de verticale as over het tekengebied (tekengebied: in een 2D-grafiek is dit het gebied dat wordt begrensd door de assen en dat alle gegevensreeksen bevat. In een 3D-grafiek is dit het gebied dat wordt begrensd door de assen en dat de gegevensreeksen, categorienamen, maatstreeplabels en astitels bevat.) van de grafiek lopen weer te geven of te verbergen.

Primaire assen weergeven of verbergen

  1. Klik op de grafiek waarvan u de assen wilt weergeven of verbergen.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Ga naar het tabblad Indeling, klik in de groep Assen op Assen en voer vervolgens een van de volgende handelingen uit:
    • Als u een as wilt weergeven,klikt u op Primaire horizontale as, Primaire verticale as of Diepteas (op een 3D-grafiek) en klikt u vervolgens op de gewenste weergaveoptie voor de as.
    • Als u een as wilt verbergen,klikt u op Primaire horizontale as, Primaire verticale as of Diepteas (op een 3D-grafiek) en klikt u vervolgens op Geen.
    • Als u gedetailleerde weergave- en schaalopties voor een as wilt opgeven, klikt u op Primaire horizontale as, Primaire verticale as of Diepteas (op een 3D-grafiek) en vervolgens op Meer opties voor primaire horizontale as, Meer opties voor primaire verticale as of Meer opties voor diepteas.

Afbeelding van lint

Terug naar boven Terug naar boven

Secundaire assen weergeven of verbergen

  1. Klik in een grafiek op de gegevensreeks die u wilt uitzetten langs een secundaire verticale as of ga als volgt te werk om de gegevensreeks te selecteren in een lijst met grafiekelementen:
    1. Klik op de grafiek.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Klik op het tabblad Opmaak in de groep Huidige selectie op de pijl in het vak Grafiekelementen. Klik vervolgens op de gegevensreeks die u wilt uitzetten langs een secundaire verticale as.

Afbeelding van lint

  1. Klik op het tabblad Opmaak in de groep Huidige selectie op Indelingskeuze.
  2. Klik op Opties voor reeks als dit nog niet is geselecteerd en klik vervolgens onder Reeks tekenen op op Secundaire as. Klik daarna op Sluiten.
  3. Klik op het tabblad Indeling in de groep Assen op Assen.

Afbeelding van lint

  1. Voer een van de volgende handelingen uit:
  • Als u een secundaire verticale as wilt weergeven, klikt u op Secondaire verticale as en vervolgens op de gewenste weergaveoptie.

Tip    U kunt de secundaire verticale as makkelijker onderscheiden als u het grafiektype voor één gegevensreeks wijzigt. U kunt bijvoorbeeld van één gegevensreeks een lijndiagram maken.

  1. Als u een secundaire horizontale as wilt weergeven, klikt u op Secondaire horizontale as en vervolgens op de gewenste weergaveoptie.

Opmerking    Deze optie is alleen beschikbaar nadat u een secundaire verticale as hebt weergegeven.

  1. Als u een secundaire as wilt verbergen, klikt u op Secondaire verticale as of Secondaire horizontale as en vervolgens op Geen.

Tip    U kunt ook klikken op de secundaire as die u wilt verwijderen, en vervolgens op Delete drukken.

Terug naar boven Terug naar boven

Rasterlijnen weergeven of verbergen

  1. Klik in de grafiek waarvan u grafiekrasterlijnen wilt weergeven of verbergen.

Hiermee worden de Hulpmiddelen voor grafieken weergegeven, waarbij de tabbladen Ontwerp, Indeling en Opmaak beschikbaar komen.

  1. Ga naar het tabblad Indeling en klik in de groep Assen op Rasterlijnen.

Afbeelding van lint

  1. Ga als volgt te werk:
  • Als u horizontale rasterlijnen wilt toevoegen aan de grafiek, wijst u Primaire horizontale rasterlijnen aan en klikt u vervolgens op de gewenste optie. Als de grafiek een secundaire horizontale as bevat, kunt u ook op Secundaire horizontale rasterlijnen klikken.
  • Als u verticale rasterlijnen wilt toevoegen aan de grafiek, wijst u Primaire verticale rasterlijnen aan en klikt u vervolgens op de gewenste optie. Als de grafiek een secundaire verticale as bevat, kunt u ook op Secundaire verticale rasterlijnen klikken.
  • Als u diepterasterlijnen wilt toevoegen aan een 3D-grafiek, wijst u Diepterasterlijnen aan en klikt u op de gewenste optie. Deze optie is alleen beschikbaar als de geselecteerde grafiek een echte 3D-grafiek is, zoals een 3D-kolomdiagram.
  • Als u de grafiekrasterlijnen wilt verbergen, wijst u Primaire horizontale rasterlijnen, Primaire verticale rasterlijnen of Diepterasterlijnen (bij een 3D-grafiek) aan en klikt u op Geen. Als de grafiek een secundaire as heeft, kunt u ook klikken op Secundaire horizontale rasterlijnen of Secundaire verticale rasterlijnen en vervolgens op Geen.
  • Als u grafiekrasterlijnen snel wilt verwijderen, selecteert u ze en drukt u vervolgens op Delete.

Terug naar boven Terug naar boven

Stap 6: De positie of het formaat van een grafiek wijzigen

U kunt een grafiek naar een willekeurige locatie in een werkblad (werkblad: het primaire document dat u in Microsoft Excel gebruikt om gegevens te bewerken en op te slaan. Een werkblad wordt ook wel een spreadsheet genoemd. Een werkblad bestaat uit cellen die zijn geordend in kolommen en rijen, en wordt altijd opgeslagen in een werkmap.) of naar een nieuw of bestaand werkblad verplaatsen. U kunt ook het formaat van de grafiek aanpassen zodat deze beter past.

Een grafiek verplaatsen

  • U kunt een grafiek verplaatsen door deze naar de gewenste locatie te slepen.

Terug naar boven Terug naar boven

Het formaat van een grafiek wijzigen

U kunt het formaat van een grafiek op de volgende manieren wijzigen:

  • Klik op de grafiek en sleep de formaatgrepen vervolgens naar het gewenste formaat.
  • Geef op het tabblad Opmaak in de groep Grootte het formaat op in de vakken Hoogte van vorm en Breedte van vorm.

Afbeelding van lint

Tip    Voor meer formaatopties klikt u op het tabblad Opmaak in de groep Formaat op Knopafbeelding om het dialoogvenster Grafiekgebied opmaken te openen. Op het tabblad Grootte kunt u opties selecteren om het formaat of de schaal van de grafiek te wijzigen of de grafiek te draaien. Op het tabblad Eigenschappen kunt u opgeven hoe u de verplaatsing en het formaat van de grafiek wilt relateren aan de cellen op het werkblad.

Terug naar boven Terug naar boven

Stap 7: Een grafiek opslaan als een sjabloon

Als u een andere grafiek wilt maken zoals de grafiek die u zojuist hebt gemaakt, kunt u deze opslaan als een sjabloon die u kunt gebruiken als basis voor andere, vergelijkbare diagrammen.

  1. Klik op het diagram dat u als een sjabloon wilt opslaan.
  2. Klik, op het tabblad Ontwerp in de groep Type op Opslaan als sjabloon.

Afbeelding van lint

  1. Typ in het vak Bestandsnaam een naam voor de sjabloon.

Tip    Tenzij u een andere map opgeeft, wordt het sjabloonbestand (.CTRX) opgeslagen in de map Grafieken folder en is de sjabloon beschikbaar onder Sjablonen in zowel het dialoogvenster Grafiek invoegen (tabblad Invoegen, groep Grafieken, Startpictogram voor het dialoogvenster Knopafbeelding ) als het dialoogvenster Grafiektype wijzigen (tabblad Ontwerp, groep Type, Grafiektype wijzigen).

Opmerking    De grafieksjabloon bevat de grafiekopmaak en de kleuren die worden gebruikt wanneer u de grafiek opslaat als sjabloon. Wanneer u de grafieksjabloon gebruikt om een nieuwe grafiek in een andere werkmap te maken, worden de kleuren van de grafieksjabloon gebruikt en niet de kleuren van het documentthema dat momenteel is toegepast op de werkmap. Als u de kleuren van het documentthema wilt gebruiken in plaats van de kleuren van de grafieksjabloon, klikt u met de rechtermuisknop op het grafiekgebied en klikt u vervolgens op Opnieuw instellen in overeenkomst met stijl

Terug naar boven Terug naar boven

 
 
Van toepassing op:
Excel 2010, Excel 2007